ECLI:NL:PHR:2011:BQ0505
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bij intrekking van mede-verzoeker in enquêteprocedure
In deze zaak stond centraal of een verzoeker tot een enquêteprocedure ontvankelijk blijft als zijn mede-verzoekster haar verzoek intrekt voordat de enquête is bevolen. De Ondernemingskamer had geoordeeld dat de intrekking door één verzoekster de procedure jegens haar beëindigde en dat de andere verzoeker niet ontvankelijk was omdat hij niet zelfstandig aan de kapitaalseis voldeed.
De Hoge Raad benadrukte dat intrekking van een verzoek leidt tot niet-ontvankelijkheid van de intrekkende verzoeker, maar niet tot beëindiging van de gehele procedure. Bij de beoordeling van ontvankelijkheid moet worden gekeken naar de verzoekers wier verzoeken daadwerkelijk ter beoordeling voorliggen. Dit betekent dat de mede-verzoeker die aan de kapitaaleis voldoet, ontvankelijk kan zijn, ook als de mede-verzoekster haar verzoek heeft ingetrokken.
De Hoge Raad bevestigde dat het peilmoment voor de kapitaaleis het moment van indiening van het verzoek is, maar dat voor de vraag wie meetelt bij die beoordeling het moment van beslissen bepalend is. De intrekking heeft ex nunc werking en leidt ertoe dat de intrekkende verzoeker niet meer meetelt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van de verzoeker die niet aan de kapitaaleis voldeed na intrekking van de mede-verzoekster.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk omdat hij niet zelfstandig aan de kapitaaleis voldoet na intrekking van het verzoek door de mede-verzoekster.