ECLI:NL:PHR:2011:BQ2860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van het groepsbegrip in de thincapregeling bij vennootschapsbelasting
Deze zaak betreft de uitleg van het begrip 'groep' in artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) in samenhang met artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De belanghebbende, X BV, vormde een fiscale eenheid met Nederlandse dochtervennootschappen en kreeg rente in rekening gebracht door haar aandeelhouders F NV en G NV, gevestigd op Curaçao. De vraag was of X BV met deze lichamen een groep vormt in de zin van art. 2:24b BW, wat bepalend is voor de toepassing van de renteaftrekbeperking onder de thincapregeling.
De rechtbank stelde vast dat F NV en G NV tezamen met X BV een groep vormen, omdat F NV de bevoegdheid heeft om de zeggenschap over de Nederlandse dochtervennootschappen uit te oefenen en alle voordelen uiteindelijk toekomen aan F NV. De belanghebbende voerde aan dat F NV slechts een participatiemaatschappij is en dat de centrale leiding door een andere vennootschap wordt uitgeoefend, en dat het ontbreken van een geconsolideerde jaarrekening op Curaçao betekent dat er geen groep is.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'groep' in art. 10d Wet Vpb wordt uitgelegd volgens art. 2:24b BW, waarbij een economische eenheid met organisatorische verbondenheid en centrale leiding vereist is. Het feit dat geen geconsolideerde jaarrekening wordt opgesteld, sluit het bestaan van een groep niet uit. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en dat de thincapregeling terecht is toegepast. Daarnaast wordt geoordeeld dat er geen sprake is van een ongeoorloofde beperking van het vrije kapitaalverkeer binnen het Koninkrijk der Nederlanden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de thincapregeling terecht is toegepast omdat de belanghebbende deel uitmaakt van een groep in de zin van art. 2:24b BW.