ECLI:NL:PHR:2012:BT1517
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling groepsbegrip en toepassing renteaftrekbeperking bij joint venture in vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal of de belanghebbende vennootschap en haar 60%-aandeelhouder J Beheer BV een groep vormen in de zin van artikel 10d, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (thincapregeling). De vennootschap is opgericht in het kader van een samenwerking tussen J Beheer en A Beheer, waarbij J Beheer 60% en A Beheer 40% van de aandelen houdt. De samenwerking werd gekwalificeerd als een joint venture.
De Rechtbank oordeelde dat J Beheer beleidsbepalende zeggenschap heeft over de belanghebbende, mede gelet op het aandeelhouderschap, de managementvergoeding en de feitelijke leiding. Het Hof stelde echter dat er geen centrale leiding was omdat bij onoverbrugbare onenigheid tussen J en A de strategie niet doorgezet kon worden onder instandhouding van de joint venture, waardoor geen groep bestond.
De Hoge Raad stelt dat het criterium van het Hof onjuist is en dat het niet beslissend is of de joint venture in stand blijft, maar of de groep in stand blijft. De vraag of J Beheer haar wil kan doorzetten onder instandhouding van de groep moet nader feitelijk worden onderzocht. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de thincapregeling niet in strijd is met de EU Interest- en royaltyrichtlijn, aangezien deze richtlijn ziet op juridische dubbele belasting bij de ontvanger van rente en niet op aftrekbeperkingen bij de betaler. Ook kan de renteaftrekbeperking van artikel 10d Wet Vpb naast die van artikel 10a Wet Vpb gelden.
De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het groepsbegrip. De voorwaardelijke incidentele middelen worden buiten behandeling gelaten.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het groepsbegrip in de zin van artikel 10d Wet Vpb.