ECLI:NL:PHR:2011:BQ3710
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM ondanks onuitzetbaarheid verdachte vreemdeling
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) centraal in de vervolging van een verdachte die zonder rechtmatig verblijf in Nederland verbleef terwijl hij tot ongewenste vreemdeling was verklaard. De advocaat-generaal had gevorderd het OM niet-ontvankelijk te verklaren omdat de verdachte niet uitzetbaar was en het dossier onvoldoende aangaf dat de verdachte zelf voldoende inspanningen had geleverd om Nederland te verlaten.
Het hof verwierp deze vordering en verklaarde het OM ontvankelijk, stellende dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte dat de verdachte alles had gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om zijn vertrek te bewerkstelligen. De verdachte kampte met psychische problemen en had meerdere keren in vreemdelingenbewaring gezeten, maar het dossier gaf geen duidelijkheid over de pogingen tot uitzetting.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en benadrukt dat de primaire verantwoordelijkheid voor vertrek bij de vreemdeling zelf ligt, tenzij hij buiten zijn schuld niet kan vertrekken. De Hoge Raad stelt dat het enkele feit dat de verdachte niet uitzetbaar is, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De Hoge Raad vindt de motivering van het hof toereikend en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ondanks dat de verdachte niet uitzetbaar is.