ECLI:NL:PHR:2011:BQ4673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling eenvoudige bankbreuk en oplichting ondanks betwisting buitensporige verteringen en opzet
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens eenvoudige bankbreuk en meervoudige oplichting. Het hof stelde vast dat verdachte in staat van faillissement buitensporige uitgaven had gedaan die niet in verhouding stonden tot zijn inkomsten, waaronder hoge huurkosten en leaseauto's, zonder zijn uitgavenpatroon aan te passen aan de financiële situatie.
Verdachte voerde in cassatie aan dat hij slechts tijdelijk minder inkomsten had en dat er geen opzet was om schuldeisers te benadelen. De Hoge Raad oordeelde dat art. 340 Sr Pro niet vereist dat de dader opzet heeft op benadeling van schuldeisers en dat buitensporige verteringen ook zonder opzet strafbaar zijn. Tevens werd het argument dat de uitgaven slechts tijdelijk hoger waren verworpen, omdat van een ondernemer wordt verlangd zijn uitgaven aan te passen aan de financiële situatie.
Daarnaast werd het verweer dat valse contracten geen oplichtingsmiddel waren omdat de bank al had uitbetaald, verworpen. Ook het vermeende schenden van het recht op een eerlijk proces door het niet mogen voorlezen van een schriftelijke verklaring werd door de Hoge Raad afgewezen. Alle middelen van cassatie faalden, waardoor de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor eenvoudige bankbreuk en meervoudige oplichting tot een gevangenisstraf van acht maanden en twee weken.