ECLI:NL:PHR:2011:BQ5073
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling formele rechtskracht dwangsombesluit en stuiting verjaring invordering dwangsommen
In deze zaak staat centraal de vraag of een uitzondering moet worden gemaakt op de formele rechtskracht van een dwangsombesluit en of de bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen tijdig is gestuit. [Eiser] had zonder vergunning een schuur verbouwd en kreeg van de gemeente een last onder dwangsom opgelegd. Na diverse bestuursrechtelijke procedures werd het dwangsombesluit geacht rechtmatig te zijn.
[Eiser] betwistte de stuiting van de verjaring van de invordering van de dwangsommen door een aangetekende brief die hij volgens eigen zeggen nooit heeft ontvangen. Het hof achtte de gebruikelijke gang van zaken rondom aangetekende post aannemelijk en oordeelde dat de brief tijdig was aangeboden, waardoor de verjaring is gestuit.
De Hoge Raad bevestigt dat de civiele rechter in beginsel gebonden is aan het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van het dwangsombesluit en dat geen uitzonderingen op de formele rechtskracht van het besluit gelden zonder fundamentele schendingen van rechtsbeginselen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft aangenomen dat de brief de stuiting van de verjaring heeft bewerkstelligd, ook al ontving [eiser] geen afhaalbericht, omdat dit risico voor zijn rekening komt.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en de verjaring van de invordering van dwangsommen is tijdig gestuit.