ECLI:NL:PHR:2011:BQ7320
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek uitgaven levensonderhoud studerend kind met lening van Informatie Beheer Groep
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting over 2004 vanwege aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn studerende zoon. De zoon ontving een lening van de Informatie Beheer Groep (IBG) van €250 per maand en had daarnaast een netto-inkomen van €595 per maand. De inspecteur stelde het belastbaar inkomen hoger vast omdat hij de aftrek weigerde, mede omdat hij het studiebudget van €719 per maand als norm hanteerde en de leenbedragen meerekende bij de eigen middelen van de zoon.
De Rechtbank en het Hof bevestigden dit standpunt, waarbij het Hof aannam dat de mogelijkheid tot het aangaan van een lening de ondersteuningsbehoefte van het kind niet vermindert, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en oordeelt dat de leenbedragen die de zoon daadwerkelijk ontving, mee moeten worden genomen bij de bepaling van de eigen middelen van het kind. De mogelijkheid om een lening aan te gaan sluit aftrek van uitgaven voor levensonderhoud niet uit.
De Hoge Raad benadrukt dat de ouder zich redelijkerwijs gedrongen moet kunnen voelen tot het doen van uitgaven voor het levensonderhoud van het kind en dat de behoefte van het kind mede wordt bepaald door diens inkomsten en vermogen. De lening leidt niet tot een vermindering van de ondersteuningsbehoefte, omdat het kind de lening moet terugbetalen en daardoor niet over extra eigen vermogen beschikt. De zaak wordt verwezen naar het Hof voor nadere beoordeling van het bedrag dat redelijkerwijs als aftrekbaar kan worden beschouwd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat leenbedragen van het studerende kind mee moeten worden genomen bij de bepaling van de ouderlijke bijdrage voor levensonderhoud en verwijst de zaak voor nadere beoordeling terug naar het Hof.