ECLI:NL:PHR:2011:BQ8000

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00135
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 334 lid 1 SvArt. 310 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping noodweer bij poging tot doodslag met mes

Op 23 mei 2008 vond in een woning te 's-Gravenhage een steekincident plaats waarbij verdachte het slachtoffer met een mes stak, wat leidde tot levensbedreigend letsel. Verdachte voerde noodweer aan, stellende dat hij zich verdedigde tegen agressie van het slachtoffer. Het hof stelde vast dat verdachte en slachtoffer tegengestelde verklaringen hadden over de toedracht, waarbij het hof de verklaring van verdachte over het geweld en het gebruikte wapen niet aannam.

Het hof baseerde zich op getuigenverklaringen, forensisch onderzoek en het letselbeeld, en concludeerde dat het mes dat het slachtoffer verwondde een scherp, puntig voorwerp was dat niet kon worden toegeschreven aan de door verdachte genoemde schildergereedschappen. Het hof achtte de noodweerstelling onvoldoende aannemelijk en verwierp deze.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn motivering niet hoefde te verduidelijken en dat de waarderingen van feitelijke aard niet voor cassatie vatbaar zijn. Ook het verzuim om de benadeelde partij te horen werd niet aannemelijk gemaakt. Het cassatieberoep faalde, waarmee de veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag.

Conclusie

Nr. 10/00135
Mr. Vellinga
Zitting: 31 mei 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Poging tot doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.
2. Namens verdachte hebben mrs. J. Kuijper en M. Mulder, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Namens de benadeelde partij heeft mr. R.M. Prins, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Namens verdachte is tegen de zijdens de benadeelde partij ingediende schriftuur een verweerschrift ingediend.
Middelen van de verdachte
5. Het eerste middel is gericht tegen de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer.
6. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
"hij op 23 mei 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken in het hoofd en het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
7. Ter terechtzitting heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer, welk beroep het Hof als volgt heeft weergegeven:
"Standpunt van de verdediging
Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer / noodweerexces en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
In de kern weergegeven heeft de raadsvrouw daartoe aangevoerd dat in het dossier aanknopingspunten voorhanden zijn die steun bieden aan de lezing van de verdachte omtrent de toedracht van het incident.
Daarentegen zijn de daaromtrent afgelegde verklaringen van [slachtoffer] in de visie van de raadsvrouw wisselend en - voor wat betreft de aanleiding van de ruzie - apert onjuist."
8. Naar aanleiding van voornoemd verweer en ten aanzien van de feiten heeft het Hof - met inbegrip van de hier niet opgenomen voetnoten - het volgende overwogen, voor zover hier van belang:
Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden
Op 23 mei 2008 vindt er in een woning gelegen aan de [a-straat] te 's-Gravenhage een steekincident plaats. Daarbij steekt de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] tweemaal met een mes, althans met een scherp of puntig voorwerp, in diens hoofd en diens bovenlichaam. [Slachtoffer] loopt daarbij een snijverwondlng aan zijn hoofd en een steekwond in de linkerhelft van zijn borst op. Tengevolge van die steekwond krijgt [slachtoffer] een klaplong en een bloeding in zijn borstholte. Dit letsel kan als levensbedreigend worden aangemerkt.
Het hof overweegt omtrent het beroep op noodweer / noodweerexces als volgt.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte en als getuige het slachtoffer [slachtoffer] gehoord. Op basis van het dossier en de op die terechtzitting afgelegde verklaringen heeft het hof moeten vaststellen dat de verdachte en [slachtoffer] over de aanloop naar het steekincident weliswaar nagenoeg gelijkluidend hebben verklaard, doch over de toedracht van het steekincident vergaand tegengestelde verklaringen hebben afgelegd.
Op 23 mei 2008 omstreeks 10.00 uur begeeft de verdachte zich naar de woning gelegen aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Voornoemde woning behoort in eigendom toe aan het slachtoffer [slachtoffer]; de verdachte heeft in het verleden kamers in die woning gehuurd. De verdachte wordt door [slachtoffer], die hem kent, binnengelaten. In de woning ontstaat een conflict over geld. De verdachte zegt tegen [slachtoffer] dat deze hem geld schuldig is. [Slachtoffer] ontkent dat en weigert de verdachte geld te geven. De verdachte loopt daarop richting de voordeur onder toevoeging van de woorden dat hij (een deel van) zijn geld die avond terug wil hebben, "goedschiks of kwaadschiks", dan wel dat (aldus deze) [slachtoffer] problemen dan wel klappen zou krijgen.
Diezelfde ochtend omstreeks 11.30 uur zien de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] [slachtoffer] de trap van het portiek van voornoemde woning af lopen. Zij nemen waar dat hij veel bloed aan de linkerzijde van zijn hoofd heeft. Zij horen hem zeggen dat hij in zijn woning door een junk is neergestoken. [Slachtoffer] vraagt de getuigen een ambulance te bellen. Op de vraag waar hij precies gewond is, tilt [slachtoffer] zijn shirt omhoog. De getuige [getuige 2] ziet aan de linkerzijde ter hoogte van de hartstreek een wond. Kort nadat [slachtoffer] in de ambulance is gelegd, ziet [getuige 2] de verdachte de trap van eerdergenoemd portiek af komen lopen. Hij ziet dat de verdachte veel bloed op zijn gezicht heeft, ter hoogte van zijn mond. Bovendien ziet hij dat de verdachte een koevoet in zijn handen heeft . De getuige [getuige 2] hoort de verdachte zeggen: "Ik heb ruzie gehad met de huisbaas en ik heb hem gestoken", of woorden van gelijke strekking. Tegenover één van de inmiddels gearriveerde opsporingsambtenaren zegt de verdachte dat hij met [slachtoffer] een handgemeen kreeg en dat hij deze met een soort mes had gestoken, waarop het handgemeen was opgehouden.
Bij een onderzoek in de bewuste woning treft de technische recherche meerdere bloedsporen (vegen en druppels) aan in de woonkamer. In de hal en op het trapportaal worden bloedsporen aangetroffen die veroorzaakt zijn door het lopen van het gewonde slachtoffer. De recherche concludeert dat het steekincident zich, vermoedelijk, in de woonkamer heeft voltrokken. De rechercheurs treffen geen voorwerp aan dat met het steekincident in relatie kan worden gebracht.
Het hof stelt vast dat de verdachte zich in de daaropvolgende verhoren op het standpunt heeft gesteld dat hij uit noodweer heeft gehandeld. Daartoe heeft hij bij zijn verhoor door de politie - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat hij, nadat hem duidelijk was geworden dat hij van [slachtoffer] geen geld kreeg, naar de keuken is gelopen, water heeft gedronken en zich op weg naar buiten heeft begeven. Toen hij in de gang langs [slachtoffer] liep heeft hij de opmerking gemaakt dat hij die avond een deel van zijn geld "goedschiks of kwaadschiks" wilde hebben. "Hij weet dat hij niet moet dollen met mij; ... mijn strafblad liegt er ook niet om." Daarop zou [slachtoffer], die tegenover hem in de gang stond, hem een vuistslag in het gezicht hebben gegeven, waardoor zijn bril op de grond viel. [Slachtoffer] zou vervolgens op verdachte, die heel slecht ziet, met zijn vuisten en / of een hard voorwerp zijn gaan 'inbeuken' en hem zijn gaan schoppen. De verdachte Is vervolgens terug gaan slaan om zich te verweren. Beiden zijn vervolgens ten val gekomen. Ter verdediging heeft de verdachte in de daarop gevolgde worsteling toen ook met een puntig voorwerp met houten handvat, een verfkrabber die hij op de grond had voelen liggen, twee maal naar [slachtoffer] uitgehaald. Nadat hij [slachtoffer] in diens zij had geraakt, is deze met het geweld gestopt, aldus de verdachte.
Tegenover de rechter-commissaris heef de verdachte onder andere verklaard dat [slachtoffer] "mijn bril van mijn gezicht (heeft) geslagen en mijn oog (heeft) geraakt". Voorts verklaarde hij toen ook dat het voorwerp waarmee hij heeft geslagen een houten handvat had en dat hij, toen hij na afloop van de worsteling zijn bril weer had teruggevonden en allerlei schildersspullen in de woning had zien liggen, concludeerde dat het daarbij om een verfkrabber moest zijn gegaan. Bij zijn latere verhoor door de politie ontkent de verdachte in alle toonaarden dat hij met een mes heeft gestoken; het is onmogelijk dat er sporen van hem worden aangetroffen op een mes dat inmiddels boven water is gekomen en waarop bloedsporen van [slachtoffer] zijn aangetroffen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaart de verdachte dat [slachtoffer] na zijn opmerking over "goedschiks of kwaadschiks" reageerde met de opmerking "Mij bedreigen?" en hem een vuistslag gaf. Door die vuistslag was de verdachte in de gang ten val gekomen en door [slachtoffer] over de vloer gesleept dan wel heeft verdachte zelf geprobeerd in de richting van de woonkamer weg te kruipen; wel beaamde verdachte dat hij zich dichter bij de voordeur bevond dan [slachtoffer]. Vervolgens zijn [slachtoffer] en hij in de woonkamer over elkaar heen gevallen en sloeg [slachtoffer] hem met een schroevendraaier op zijn hoofd, terwijl hij, verdachte, op de grond lag met [slachtoffer] bovenop hem - zittend of liggend. De verdachte heeft toen om zich heen gevoeld, iets met een houten handvat opgepakt en daarmee twee keer uitgehaald. Het zou kunnen dat dat voorwerp een mes is geweest.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aan zijn lezing van de toedracht van het incident toegevoegd dat hij door [slachtoffer] aan zijn benen / enkels naar de woonkamer is gesleept en dat hij, toen [slachtoffer] over hem heen lag - hij weet niet hoe - twee maal met gestrekte arm een zwaaiende beweging heeft gemaakt, waarbij hij [slachtoffer] onder meer in diens zij heeft geraakt.
Omtrent de toedracht van het incident heeft ook [slachtoffer] meerdere verklaringen afgelegd. Die verklaringen komen - kort samengevat - op het navolgende neer.
De verdachte is degene geweest die het geweld heeft ingezet. Nadat [slachtoffer] in reactie op verdachte's opmerking dat hij een deel van het geld die avond "goedschiks of kwaadschiks" kwam ophalen heeft [slachtoffer] de verdachte gevraagd wat deze daarmee bedoelde. In reactie daarop heeft, aldus [slachtoffer], de verdachte zich omgedraaid, direct een mes in de borst van [slachtoffer] gestoken en hem vervolgens met stekende bewegingen de woonkamer in gedwongen. Daar heeft [slachtoffer] op een gegeven moment kans gezien om zich onder meer met een schroevendraaier te verweren en het huis uit te vluchten.
In verband met hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard merkt het hof op dat - blijkens het NFI-rapport d.d. 1 juli 2008 - het zeer wel mogelijk is dat [slachtoffer] met het hem toegebrachte letsel in staat was deel te nemen aan een worsteling aangezien het letsel niet onmiddellijk dodelijk was en er geen incapacitatie heeft plaatsgevonden door pijn of bewustzijnsverlies.
Met betrekking tot de 'stille getuigen' die op de plaats delict zijn aangetroffen stelt het hof vast dat de hierboven aangehaalde bevindingen van de technische recherche weliswaar indiceren dat het steekincident zich in de woonkamer heeft afgespeeld, maar deze conclusie is zo terughoudend geformuleerd dat het hof daaraan geen consequenties voor de geloofwaardigheid van de lezing van [slachtoffer] verbindt.
Bovendien moet op grond van de bevindingen van het NFI met betrekking tot de in de woning aangetroffen schildersspullen worden vastgesteld dat geen daarvan een rol kan hebben gespeeld bij het veroorzaken van het steekletsel in de borst van [slachtoffer]. Over dat letsel stelt het NFI:
"Het steekletsel in de borstkas is veroorzaakt door een scherppuntig en scherprandig voorwerp dat op circa 6,5 centimeter vanaf de punt een maximale breedte had van circa 1,5 centimeter."
Tevens wordt geconstateerd dat de insteekopening (huidklieving) zich aan de linkerzijde van de borstkas, circa 6,5 cm buiten - en 3 cm onder het niveau van de tepel bevond en dat sprake is geweest van "een dwars naar rechts verlopend steekkanaal welke door de linker long verliep en reikte tot zeer nabij het hart".
In dit verband komt in het bijzonder ook betekenis toe aan het gegeven dat de vader van [slachtoffer] stelt twee weken na het incident op het balkon van de woning aan de [a-straat 1] een aardappelschilmesje met een geel handvat te hebben gevonden. Op dat mes zijn DNA sporen van zowel [slachtoffer] als de verdachte aangetroffen. Het NFI komt in zijn rapport van 30-10-08 tot het oordeel dat het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel "zeer wel mogelijk" door dit mes kan zijn veroorzaakt. Alles wijst er in de visie van het hof dus op dat dit mes het 'scherppuntig en scherprandig voorwerp' is geweest waarmee [slachtoffer] is gestoken.
Ten slotte stelt het hof op grond van het in het dossier aanwezige fotomateriaal vast dat (ook) op de verdachte en kennelijk door [slachtoffer] geweld is uitgeoefend, waardoor de verdachte op meerdere plaatsen (op het hoofd, in het gezicht, op zijn borst en in zijn zij) letsel heeft opgelopen, hetgeen steun zou kunnen geven aan het beroep op noodweer(exces) van de verdachte.
Bij de beoordeling van dat beroep zullen de omstandigheden waaronder dat geweld op de verdachte werd uitgeoefend en in het bijzonder ook de chronologie van dat geweld in relatie tot het door de verdachte jegens [slachtoffer] uitgeoefende geweld betrokken moeten worden. Te dien aanzien stelt het hof het navolgende vast.
1. De verdachte heeft [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de borst en in de hartstreek gestoken, met potentieel fatale afloop.
2. De verdachte heeft over het door hem gebruikte wapen vrijwel nimmer ruiterlijk opening van zaken willen geven, waardoor bijvoorbeeld de vraag hoe hij in het bezit van dat steekwapen is gekomen, onbeantwoord moet blijven. Zeker is immers wel dat het dossier geen steun biedt voor zijn stelling dat hij met schildersgerei dan wel een ander voorwerp met houten handgreep dan een mes heeft uitgehaald.
3. De verdachte heeft over de plaats en de omstandigheden waaronder het aan die steek voorafgegane, jegens hem door [slachtoffer] uitgeoefende geweld heeft plaatsgevonden bepaald wisselend en nimmer eenduidig verklaard. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van die verklaringen.
4. De stelling van de verdachte dat het geweld begon met een vuistslag in zijn gezicht, ten gevolge waarvan hij zijn bril kwijtraakte en op zijn oog werd geraakt, acht het hof niet aannemelijk geworden. Aan de hand van de zich in het dossier bevindende foto's betreffende het letsel van de verdachte stelt het hof op grond van zijn eigen waarneming vast dat het daarop zichtbare letsel niet past bij de door de verdachte beschreven geweldshandeling. Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat de verdachte zijn bril intact heeft teruggevonden.
5. Hoewel [slachtoffer] zijnerzijds zeker niet steeds eenduidig verklaarde, is hij consequent in zijn verklaring omtrent de omstandigheden waaronder het letsel in zijn borst werd veroorzaakt en komt bij die omstandigheden betekenis toe aan de dreigende opmerking van de verdachte dat hij zijn geld "goedschiks of kwaadschiks" zou komen halen, alsook aan de kennelijke frustratie van de verdachte dat hij geen geld had gekregen.
6. Ten slotte stelt het hof vast dat de verdachte niet alleen wisselend en onduidelijk heeft verklaard over de situatie waarin hij de bijna fatale steek toebracht, maar acht het hof het ook weinig plausibel dat de verdachte terwijl hij op de grond lag met [slachtoffer] over hem heen op de door hem beschreven wijze dat letsel heeft kunnen teweegbrengen. De aard van het door het NFI beschreven steekkanaal verzet zich evenwel niet tegen de door [slachtoffer] beschreven toedracht van het steekincident.
Gelet op het hierboven overwogene acht het hof onvoldoende aannemelijk (geworden) dat het bij [slachtoffer] waargenomen letsel is toegebracht onder de door de verdachte beschreven omstandigheden die een beroep op noodweer(exces) zouden moeten dragen; de beoordeling van de verklaringen van [slachtoffer] maakt dat niet anders. Dit beroep wordt derhalve verworpen."
9. De toelichting op het middel bevat een aantal klachten tegen onderdelen van overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van het Hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het letsel van [slachtoffer] is toegebracht onder de door de verdachte beschreven omstandigheden waarop deze zijn beroep op noodweer heeft gebaseerd.
10. Deze klachten gaan er aan voorbij dat de overwegingen van het Hof dienen te worden beschouwd in onderling verband en samenhang, dat de overwegingen van het Hof, gelezen in onderling verband en samenhang, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk zijn en dat deze zodanig verweven zijn met waarderingen van feitelijke aard dat deze zich niet lenen voor verdere toetsing in cassatie.
11. Daar voeg ik nog het volgende aan toe. De klacht dat het oordeel van het Hof dat de verdachte over het door hem gebruikte wapen vrijwel nimmer ruiterlijk opening van zaken willen geven onbegrijpelijk is, berust op onjuiste lezing van de overwegingen van het Hof. Het Hof stelt immers vast dat de verdachte de vraag hoe hij aan het steekwapen is gekomen onbeantwoord heeft gelaten. Voorts wijs ik erop dat uit de weergave van de verklaringen van de verdachte door het Hof zonder meer blijkt dat deze verschillen ten aanzien van de plaats en de omstandigheden waaronder het volgens de verdachte jegens hem gepleegde geweld heeft plaatsgevonden en het een overspannen eis zou zijn van het Hof te vergen nog eens afzonderlijk tot uitdrukking te brengen waarin die verklaringen verschillen.
12. Voor zover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de feiten en omstandigheden waarop het Hof zich heeft beroepen bij de weerlegging van het beroep op noodweer uit de bewijsmiddelen moeten volgen, vindt het middel geen steun in het recht.(1)
13. Het middel faalt.
14. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer].
15. Het middel miskent dat het Hof de verklaring van [slachtoffer] slechts aan de verwerping van het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd voor zover diens verklaring de omstandigheden betreft waaronder het letsel in zijn borst werd veroorzaakt. Voor het overige ligt de verwerping van het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer] als ongeloofwaardig aangemerkt dienen te worden, besloten in hetgeen het Hof overweegt over de verklaringen van [slachtoffer] op p. 7 t/m 9 (tot en met vierde regel van boven) van zijn arrest alsmede in het op p. 10 van het arrest met 5 aangeduide onderdeel van de overwegingen van het Hof waar het Hof overweegt, hetgeen in cassatie niet wordt bestreden, dat [slachtoffer] consequent is in zijn verklaring omtrent de omstandigheden waaronder het letsel in zijn borst werd veroorzaakt.
16. Het middel faalt.
17. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
Middel van de benadeelde partij
18. Het middel houdt in dat het Hof heeft verzuimd de benadeelde partij te horen en is voorbijgegaan aan de opgave van getuigen door de benadeelde partij.
19. Voor wat betreft het verzuim de benadeelde partij te horen mist het middel, gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal van voornoemde zitting blijkt immers dat [slachtoffer] zijn vordering aldaar heeft toegelicht.
20. Voor wat betreft het negeren van het verzoek door de benadeelde partij opgegeven getuigen te horen, miskent het dat het middel dat het de benadeelde partij niet is toegestaan ter onderbouwing van haar vordering getuigen aan te brengen (art. 334 lid 1 Sv Pro)(2).
21. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie onder meer HR 13 juni 2006, LJN AW4459, NJ 2006, 371.
2 Een en ander is ongewijzigd gebleven na de Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1).