ECLI:NL:PHR:2011:BQ9057
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en strafbaarheid bij overtreding gebruik taxameter volgens Wet personenvervoer 2000
In deze zaak stond centraal of het hof bevoegd was om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter wegens overtreding van art. 127 lid 1 onder Pro c van het Besluit personenvervoer 2000 (BPV 2000). Het hof had zich onbevoegd verklaard omdat het oordeelde dat het hier ging om een economisch delict op grond van art. 104 lid 1 onder Pro c van de Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000) en de Wet op de economische delicten (WED).
De Hoge Raad stelt vast dat het gebruiksvoorschrift van de taxameter in art. 127 lid 1 onder Pro c BPV 2000 niet is gebaseerd op art. 104 lid 1 onder Pro c WPV 2000, maar op art. 104 lid 1 onder Pro a WPV 2000, dat regels stelt over de inrichting en uitrusting van voertuigen. Dit betekent dat overtreding van dit voorschrift een commuun delict is, strafbaar gesteld in art. 101 lid 1 WPV Pro 2000, en niet een economisch delict.
De wetsgeschiedenis toont aan dat de wetgever onderscheid maakte tussen voorschriften die betrekking hebben op de bekwaamheid van bestuurders (onder c) en voorschriften die zien op materieel en gebruik daarvan (onder a). Het gebruik van de taxameter valt onder het laatste. Het hof heeft zich dus ten onrechte onbevoegd verklaard. De Hoge Raad vernietigt het arrest en bepaalt dat het hof zelf moet beoordelen of het ten laste gelegde feit, indien bewezen, strafbaar is.
De middelen van het Openbaar Ministerie en de verdachte die zich tegen de onbevoegdverklaring keren, slagen, terwijl andere middelen van de verdachte falen. De Hoge Raad treedt niet ambtshalve in cassatie. De zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het hof heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard; de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke beoordeling.