ECLI:NL:PHR:2011:BQ9108

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05292 A
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumlandsverordening 1960Art. 11 Opiumlandsverordening 1960Art. 49 Wetboek van Strafrecht Nederlandse AntillenArt. 402 SvAArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid vonnis door verzuim bewijsmiddelen op te nemen in Antilliaanse strafzaak

In deze strafzaak heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het hof verhoogde de straf ten opzichte van de eerste aanleg vanwege de ernst van het misdrijf en recidive van de verdachte.

De verdediging stelde cassatie in met twee middelen: het eerste betrof de motivering van de strafverzwaring, het tweede het ontbreken van de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de strafverzwaring voldoende had gemotiveerd, maar dat het verzuim om de bewijsmiddelen in het vonnis zelf op te nemen leidt tot nietigheid op grond van artikel 402, zevende lid, SvA.

De Hoge Raad constateerde dat de bewijsmiddelen wel als bijlage waren toegevoegd, maar deze bijlage was niet tijdig ondertekend en niet integraal opgenomen in het vonnis. Dit is in strijd met de wettelijke vereisten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling op het bestaande beroep.

Deze uitspraak benadrukt het belang van volledige en correcte motivering en het opnemen van bewijsmiddelen in het vonnis voor de rechtsgeldigheid van strafvonnissen in het Nederlandse Antilliaanse recht.

Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd wegens nietigheid door het ontbreken van de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis en de zaak is terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

Nr. 10/05292 A
Mr. Aben
Zitting 7 juni 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba te Curaçao heeft bij strafvonnis van 10 juni 2010 het strafvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen te Curaçao van 9 maart 2010, waarbij de verdachte wegens de feiten 1 en 2 "telkens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een verbod gesteld bij artikel 3 eerste Pro lid onder A van de Opiumlandsverordening 1960, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening en artikel 49 van Pro het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewijsvoeringen, de strafoplegging en de toepasselijke wettelijke voorschriften en de verdachte - met aanvulling van gronden - tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden veroordeeld.
2. Namens de verdachte heeft mr. C. Wendenburg, advocaat te Maastricht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de opgelegde straf niet overeenkomstig de wettelijke eisen heeft gemotiveerd nu het een aanzienlijk hogere straf heeft opgelegd dan in eerste aanleg is opgelegd en uit de strafmotivering niet blijkt waarom het hof tot een hogere strafoplegging komt.
3.2. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:
"Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het Hof verwijst naar de strafmotivering van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire, in zijn vonnis van 9 maart 2010, neemt die over en vult deze als volgt aan.
Het Hof is van oordeel dat aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde misdrijf en de generaal preventieve werking van strafoplegging onvoldoende recht is gedaan door de strafoplegging in eerste aanleg. De verdachte is reeds meerdere malen veroordeeld voor drugsdelicten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden zich daaraan wederom schuldig te maken. Voor een deels voorwaardelijke straf bestaat derhalve thans geen aanleiding meer. Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden."
3.3. Gelet hierop mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft immers geoordeeld dat de in eerste aanleg opgelegde straf - een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk - onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het misdrijf en de generaal preventieve werking die van de straf behoort uit te gaan, op grond waarvan het hof een hogere straf - een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden zonder voorwaardelijk deel - passend en geboden heeft geacht.
4.1. Het tweede middel klaagt dat artikel 402 lid 1 SvA Pro is geschonden nu het hof in het strafvonnis heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen.
4.2. Art. 402 SvA Pro luidt, voor zover hier van belang:
"1. Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot bewijs daarvan geldt.
(...)
7. Alles op straffe van nietigheid.""
4.3. Het strafvonnis vermeldt onder de kop "De bewijsmiddelen" het volgende:
"Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in geval van beroep in cassatie in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen"
4.4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich voorts een bijlage inhoudende de bewijsmiddelen, behorende bij voormeld strafvonnis. Deze bijlage is door de voorzitter van het hof niet eerder getekend dan op 16 juli 2010.
4.5. Uit het vorenstaande blijkt dat het hof heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen in het strafvonnis zelf (als bijlage) op te nemen. Dit verzuim leidt op grond van art. 402, zevende lid, SvA tot nietigheid.(1)
5. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Een wettelijke grondslag voor de staande praktijk van het verkorte vonnis met latere aanvulling ontbreekt. Zie HR 8 februari 2011, LJN BO9974; HR 2 november 2010, LJN BN9359; HR 2 november 2010, LJN BN9358 en HR 13 juli 2010, LJN BJ8669, NJ 2010/572 m.nt. Schalken.