ECLI:NL:PHR:2011:BR0573
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 31 Vluchtelingenverdrag bij voorlopige hechtenis en vervolging
De zaak betreft de beoordeling van de voorlopige hechtenis van een verdachte met de Afghaanse nationaliteit die met een vals paspoort Nederland binnenkwam en asiel wilde aanvragen. De rechtbank had de vordering tot bewaring afgewezen omdat zij oordeelde dat het asielverzoek eerst door de vreemdelingenrechter moest worden beoordeeld en dat niet vaststond dat de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou krijgen.
De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onjuiste maatstaven heeft gehanteerd door de toepasselijkheid van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag afhankelijk te maken van een latere beslissing in de asielprocedure. De strafrechter dient zelf te beoordelen of artikel 31 aan Pro vervolging in de weg staat, ook als nog geen asielbeslissing is genomen.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro bescherming biedt aan vluchtelingen en asielzoekers die illegaal een land binnenkomen, mits zij zich zonder vertraging melden en goede redenen hebben. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met deze reikwijdte en had een te lage drempel gehanteerd voor het achterwege laten van voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a, derde lid, Sv.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, met nadruk op zelfstandige toetsing van artikel 31 Vluchtelingenverdrag.