ECLI:NL:PHR:2011:BR2340
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitbuiting in prostitutie en ontvankelijkheid hoger beroep ondanks late indiening appelschrift
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het niet tijdig en mogelijk onjuist indienen van de appelschriftuur. Het hof oordeelde dat het belang van het hoger beroep zwaarder woog dan de vormverzuimen, mede gezien de grote maatschappelijke belangen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hof een ruime discretionaire bevoegdheid heeft bij de afweging tussen niet-ontvankelijkheid en inhoudelijke behandeling.
Daarnaast was de hoofdvraag of sprake was van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr. Het hof stelde vast dat de slachtoffers illegaal in Nederland verbleven, schulden hadden en afhankelijk waren van de verdachte, die misbruik maakte van hun kwetsbare positie. Ondanks dat zij 50% van hun verdiensten behielden, was dit volgens het hof onevenredig en vormde dit uitbuiting.
De verdediging voerde aan dat er geen uitbuiting was omdat de slachtoffers onder gelijke omstandigheden werkten als mondige Nederlandse collega’s en klanten konden weigeren. Het hof verwierp dit en wees op de beperkte keuzevrijheid, bedreigingen, en druk die de slachtoffers ondervonden. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting in dit oordeel en verwierp het cassatieberoep.
De strafrechtelijke veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van 450 dagen, waarvan 115 voorwaardelijk, wegens medeplegen van uitbuiting in de prostitutie werd daarmee bevestigd. Ook de toewijzing van vorderingen van benadeelde partijen en de teruggave van in beslag genomen goederen bleven in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor uitbuiting in de prostitutie wordt bevestigd.