ECLI:NL:PHR:2011:BR3041
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bepaalt behandeling verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel
In deze zaak gaat het om een verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat op 16 november 2010 is ingediend bij de Rechtbank Amsterdam, maar ten onrechte niet in behandeling is genomen. De veroordeelde was op 16 juni 2008 veroordeeld wegens het rijden op een niet-verzekerde brommer en kreeg een dwangbevel opgelegd wegens het niet betalen van de boete.
Op 6 januari 2010 werd tegen het dwangbevel verzet aangetekend, maar dit werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard omdat er nog geen tenuitvoerlegging had plaatsgevonden. Op 16 november 2010 werd beslag gelegd op roerende zaken en werd een nieuw verzetschrift ingediend, dat echter door de griffie van de rechtbank niet werd behandeld. De vader van de veroordeelde stelde namens haar cassatie in bij de Hoge Raad tegen de weigering van het kanton om het verzet in behandeling te nemen.
De Hoge Raad stelt vast dat het verzetschrift van 16 november 2010 niet in het register stond en dat de griffie ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan het verzet. De Hoge Raad oordeelt dat het verzet alsnog door de Rechtbank Amsterdam moet worden behandeld en afgedaan, tenzij het verzetschrift vóór die behandeling wordt ingetrokken. De Hoge Raad wijst erop dat de vraag of verzet mogelijk is, niet door de griffie maar door de rechter moet worden beantwoord.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel alsnog door de Rechtbank Amsterdam moet worden behandeld.