ECLI:NL:HR:2011:BR3041
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Behandeling verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel door rechtbank
In deze zaak heeft de veroordeelde verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel waarbij beslag was gelegd op roerende zaken op zijn woonadres. Dit verzet is door de Rechtbank Amsterdam niet in behandeling genomen vanwege een verkeerde lezing, waarbij het verzet werd opgevat als gericht tegen een eerdere beschikking. De veroordeelde stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat het schrijven van de veroordeelde moet worden verstaan als een verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Gezien het feit dat het verzet ten onrechte niet in behandeling is genomen, bepaalt de Hoge Raad dat de stukken van het geding aan de griffier van de Rechtbank Amsterdam moeten worden gezonden, zodat het verzet alsnog kan worden behandeld en afgedaan, tenzij het verzet wordt ingetrokken.
De Hoge Raad wijst erop dat het eerdere verzet niet-ontvankelijk werd verklaard omdat toen nog geen tenuitvoerlegging had plaatsgevonden. Nadat wel beslag was gelegd, werd het nieuwe verzet niet correct behandeld. De Hoge Raad corrigeert dit en waarborgt daarmee het recht van verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevelen.
Uitkomst: Het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel moet alsnog door de Rechtbank Amsterdam worden behandeld.