ECLI:NL:PHR:2011:BR4537
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling keuzerecht buitenlandse belastingplichtigen onder artikel 2.5 Wet IB 2001 en discriminatieverweren
Belanghebbende, woonachtig in Costa Rica, vorderde toepassing van artikel 2.5 Wet IB 2001, waarmee buitenlandse belastingplichtigen kunnen kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtigen. De Inspecteur weigerde dit omdat Nederland met Costa Rica geen belastingverdrag heeft dat voorzien is in uitwisseling van inlichtingen. Zowel Rechtbank Breda als het Gerechtshof 's-Hertogenbosch verklaarden het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde in cassatie dat deze regeling discrimineert en strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het EVRM.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 2.5 Wet IB 2001 een objectieve voorwaarde stelt, namelijk dat met het woonland een belastingverdrag moet bestaan dat uitwisseling van inlichtingen mogelijk maakt. Dit criterium is gerechtvaardigd vanwege de noodzaak voor de Nederlandse Belastingdienst om het wereldinkomen adequaat te controleren. De Hoge Raad bevestigt dat het onderscheid tussen inwoners van verdragslanden en niet-verdragslanden binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt en geen onredelijke discriminatie inhoudt.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en artikel 14 EVRM Pro faalt omdat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die van belastingplichtigen uit verdragslanden, en het onderscheid een legitiem doel dient. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de eerdere uitspraken. Deze uitspraak onderstreept het belang van internationale verdragen voor het fiscale keuzerecht en de controleerbaarheid van belastingaangiften.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; het keuzerecht van artikel 2.5 Wet IB 2001 geldt niet zonder belastingverdrag met uitwisseling van inlichtingen.