ECLI:NL:PHR:2011:BT6374
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt motivering ontnemingsbedrag en nuanceert toepassing art. 36e Sr
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam veroordeelde opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van €270.502,37 aan de Staat te betalen. Veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen de motivering van het ontnemingsbedrag en de wijze waarop het hof in mindering bracht op de vorderingen van benadeelde derden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende heeft gemotiveerd, ondanks dat niet alle onderliggende feiten en omstandigheden expliciet in het arrest zijn vermeld. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat bij hoofdelijke aansprakelijkheid het gehele bedrag van een in rechte toegekende vordering in mindering kan worden gebracht, maar dat afhankelijk van de omstandigheden ook een evenredig deel kan worden toegepast.
De conclusie benadrukt dat het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel vereist dat het voordeel dat daadwerkelijk is behaald wordt vastgesteld en dat dubbele terugvordering wordt voorkomen. De Hoge Raad wijst ook op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, wat bij verwijzing in acht moet worden genomen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de motivering van het ontnemingsbedrag en nuanceert de toepassing van art. 36e lid 6 Sr bij hoofdelijke aansprakelijkheid, wijzend de zaak terug naar het hof.