ECLI:NL:PHR:2012:BS1716
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging tenlastelegging en toepassing art. 68 Sr bij verkeersdelict
Verdachte werd aanvankelijk ten laste gelegd dat hij opzettelijk met een bromfiets op politieambtenaren inreed met het oogmerk hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Later werd door het Openbaar Ministerie een wijziging van de tenlastelegging gevorderd, waarbij schuld- en overtredingsfeiten uit de Wegenverkeerswet 1994 werden toegevoegd, waaronder roekeloos rijgedrag en het veroorzaken van gevaar op de weg.
De verdediging betoogde dat deze wijziging een geheel ander feit betrof dan het oorspronkelijk ten laste gelegde, zodat de wijziging niet toelaatbaar was op grond van art. 68 Sr Pro. De Hoge Raad herhaalt de criteria voor het begrip 'hetzelfde feit' en benadrukt dat een aanzienlijk verschil in juridische aard van de feiten en strafmaxima kan leiden tot het oordeel dat het niet hetzelfde feit betreft.
Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden zodanig met elkaar samenhangen dat de wijziging van de tenlastelegging toelaatbaar is. De strafmaxima verschillen weliswaar, maar de sancties vertonen ook overeenkomsten, zoals de mogelijkheid tot ontzegging van rijbevoegdheid, hetgeen wijst op verwantschap van de rechtsgoederen.
Het hof verklaarde het meest subsidiaire feit bewezen en sprak verdachte vrij van het meer subsidiaire feit. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, ook niet gelet op de mogelijkheid dat de politieambtenaar een onverwachte beweging maakte. De middelen van cassatie worden verworpen en het beroep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens de opgelegde geldboete van €250,-.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens de opgelegde geldboete.