ECLI:NL:PHR:2012:BT1758
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte moord op echtgenote wegens onvoldoende bewijs
Op 6 april 2007 werd het levenloze lichaam van de echtgenote van verdachte aangetroffen in hun woning te Tilburg, met negen messteken. Verdachte werd aangehouden vanwege ernstige verdenkingen. Het NFI kon het exacte tijdstip van overlijden niet nauwkeurig bepalen, maar situeerde dit tussen 18.00 en 21.00 uur. Verdachte verklaarde dat hij rond 18.00 uur het huis verliet en zijn vrouw toen nog bezig was met eten.
Technisch onderzoek vond een bloedveeg van het slachtoffer op de enkel van verdachte, maar de verklaring van verdachte hierover werd ongeloofwaardig geacht. De voordeur en achterdeur van de woning waren slotvast afgesloten, wat strijdig was met de verklaring van verdachte dat hij de voordeur enkel had dichtgetrokken bij het verlaten van de woning. Het hof achtte de verklaring van verdachte hierover leugenachtig.
De officier van justitie stelde dat verdachte de dader moest zijn, mede op basis van sporenonderzoek en daderwetenschap, maar het hof vond dat deze aanwijzingen onvoldoende waren om wettig en overtuigend bewijs te leveren. Het hof liet de mogelijkheid open dat een onbekende dader het slachtoffer had gedood en de woning aan de achterzijde onafgesloten had verlaten. Deze slotsom was echter tegenstrijdig met het feit dat de achterdeur slotvast was, wat de Hoge Raad onbegrijpelijk achtte.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde behandeling. De zaak toont de complexiteit van bewijswaardering bij moordzaken en de noodzaak van duidelijke, consistente motivering van vrijspraken of veroordelingen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor moord.