ECLI:NL:PHR:2012:BT8462
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verjaring van pensioenaanspraken volgens pensioenreglement BPF
In deze zaak vordert een deelnemer aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (BPF) de toekenning van pensioenaanspraken over de periode 1988 tot 1989. Het BPF stelt dat deze aanspraken zijn verjaard op grond van art. 3:307 BW Pro. De rechtbank en het hof wijzen het beroep op verjaring af. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt de juridische aard van pensioenaanspraken.
De Hoge Raad stelt dat pensioenaanspraken voortvloeien uit het pensioenreglement en van rechtswege ontstaan zonder dat sprake is van een zelfstandige 'toekenning' als rechtsfeit. De periodieke opgaven door de pensioenuitvoerder zijn slechts administratieve mededelingen en geen rechtsgevolg hebbende handelingen. Hierdoor is een beroep op verjaring op grond van art. 3:307 BW Pro niet van toepassing.
Het hof heeft het pensioenreglement juist uitgelegd en de vordering van de deelnemer opgevat als een verklaring voor recht dat het BPF gehouden is de aanspraken te berekenen en vast te stellen. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt dat de verjaringsregels niet van toepassing zijn op de opbouw van pensioenaanspraken volgens het pensioenreglement. Hiermee wordt de rechtszekerheid voor pensioengerechtigden versterkt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat pensioenaanspraken niet aan verjaring onderhevig zijn en wijst het cassatieberoep van het BPF af.