ECLI:NL:PHR:2012:BU8250
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Teruggaaf accijns bij wederinslag overige alcoholhoudende dranken na tariefverhoging
Belanghebbende, een groothandel in alcoholhoudende dranken met een vergunning voor opslag onder accijnsschorsing, verkocht eind 2002 een partij dranken aan een zustermaatschappij waarbij accijns werd voldaan tegen het toen geldende lagere tarief. Na een accijnsverhoging per 1 januari 2003 kocht belanghebbende een groot deel van deze partij terug en sloeg deze opnieuw in haar accijnsgoederenplaats (agp) op, waarna zij teruggaaf van accijns naar het hogere tarief verzocht en verkreeg.
De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag op omdat volgens haar geen recht bestond op teruggaaf tegen het hogere tarief zonder dat dit tarief eerst was voldaan. Rechtbank en Hof bevestigden dit standpunt, waarbij het Hof oordeelde dat de nationale wetgeving richtlijnconform moet worden uitgelegd en dat teruggaaf slechts kan worden verleend voor accijns die daadwerkelijk is betaald.
De Hoge Raad overweegt dat de nationale bepalingen niet volledig in overeenstemming zijn met de Europese Horizontale richtlijn, waardoor belanghebbende op grond van de gunstigere nationale bepalingen recht heeft op teruggaaf tegen het hogere tarief. De Hoge Raad wijst erop dat de zaak voor nader feitenonderzoek moet worden verwezen wegens de subsidiaire stelling van fraus legis door belanghebbende.
De conclusie is dat de teruggaafregeling zodanig moet worden toegepast dat teruggaaf tegen het hogere tarief mogelijk is, ook als de accijns oorspronkelijk tegen het lagere tarief is voldaan, en dat de zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling van het frauduleuze handelen.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op teruggaaf van accijns tegen het hogere tarief na 1 januari 2003, zaak verwezen voor nader feitenonderzoek wegens mogelijke fraus legis.