ECLI:NL:PHR:2012:BU8741
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toezeggingen aan getuige en bewijswaardering in doodslagzaak
In deze zaak is de verdachte door het gerechtshof veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens doodslag. De verdediging stelde dat verklaringen van een getuige niet als bewijs mochten dienen omdat de politie toezeggingen had gedaan die als afspraken in de zin van artikel 226g Sv moesten worden aangemerkt, wat tot onherstelbare vormverzuimen zou leiden.
De Hoge Raad oordeelt dat de mededelingen van politie en justitie aan de getuige geen toezeggingen waren zoals bedoeld in artikel 226g Sv, omdat zij niet direct betrekking hadden op strafvermindering of andere beslissingen die de rechter moet nemen volgens artikelen 348 en 350 Sv. Ook ontbrak een causaal verband tussen de gunsten die werden toegezegd en de verklaring van de getuige. Hierdoor was er geen sprake van onherstelbare vormverzuimen.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verweer dat het tijdstip van het delict niet kon worden vastgesteld op basis van camerabeelden en GSM-gegevens. Het hof had voldoende gemotiveerd dat het overlijden van het slachtoffer binnen een ruim tijdsbestek had plaatsgevonden, waardoor het verweer niet ontvankelijk was.
De middelen van cassatie faalden en het beroep werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en de betrouwbaarheid van het bewijs.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf wegens doodslag.