ECLI:NL:PHR:2012:BV0651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing eigenwoningregeling bij erfpacht en afhankelijk opstalrecht op woning
Belanghebbende en haar echtgenoot, aandeelhouders van een BV die eigenaar is van een woning, bewoonden deze woning oorspronkelijk op basis van een erfpachtrecht. Dit recht werd later omgezet in een erfpachtrecht op de grond met een afhankelijk opstalrecht op de woning. De Inspecteur weigerde aftrek van de erfpacht- en opstalbetalingen omdat volgens hem geen sprake was van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat belanghebbende juridisch eigenaar was van de woning via het opstalrecht en dat de eigenwoningregeling van toepassing was. Zij verwierpen de stelling van de Inspecteur dat sprake was van een huuranalogie, omdat het opstalrecht geen gebruiksrecht maar eigendom van de opstallen geeft.
De Hoge Raad bevestigde deze lijn en oordeelde dat het recht op waardeverandering van de opstal ook kan voortvloeien uit contractuele afspraken in de akte van vestiging. Daarnaast is het recht van opstal geen huuranalogisch recht, ook niet als het afhankelijk is van een erfpachtrecht. De Hoge Raad wees op de beleidsbesluiten en wetsgeschiedenis die het standpunt ondersteunen dat woningen met een opstalrecht kwalificeren voor de eigenwoningregeling, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat de eigenwoningregeling van toepassing is bij erfpacht met afhankelijk opstalrecht.