ECLI:NL:PHR:2012:BV3405
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onherroepelijke ontheffing uit het ouderlijk gezag ten behoeve van continuïteit pleegzorg
In deze zaak stond het verzoek tot ontheffing van de ouders uit het ouderlijk gezag centraal, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbanken de ontheffing reeds hadden toegewezen. De kinderen verbleven sinds 2007 in een pleeggezin en waren onder toezicht gesteld, met verlengingen en uithuisplaatsing. De Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam werd benoemd tot voogd.
De ouders maakten in cassatie bezwaar tegen deze beslissing, onder meer omdat zij geen deskundigenonderzoek naar hun pedagogische vaardigheden konden laten uitvoeren en omdat zij meenden dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met artikel 8 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het belang van de kinderen prevaleert, vooral vanwege de langdurige en stabiele plaatsing in het pleeggezin, en dat het hof terecht de ouders ongeschikt en onmachtig achtte.
De Hoge Raad wees ook het argument af dat het hof expliciet had moeten toetsen aan artikel 8 EVRM Pro, omdat daarvoor geen concrete argumenten waren ingebracht. De motiveringsplicht van de rechter is beperkt tot de aangevoerde argumenten. Het verzoek tot cassatie werd verworpen, waarmee de ontheffing definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontheffing van de ouders uit het ouderlijk gezag.