ECLI:NL:PHR:2012:BV5548
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling hoofdverblijfplaats kind bij vader in het belang van het kind
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van een kind op grond van art. 1:253a lid 2 BW. Na het uiteengaan van de ouders in juni 2008 bleef het kind bij de moeder wonen, maar de vader verzocht om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij hem. De rechtbank en het hof Arnhem stelden de hoofdverblijfplaats bij de vader vast vanwege het belang van het kind.
De moeder verzette zich tegen de omgangsregeling en medewerking aan onderzoeken, wat leidde tot een ondertoezichtstelling van het kind bij een jeugdzorginstelling. De moeder vluchtte zelfs met het kind, wat de situatie verder bemoeilijkte. Het hof overwoog dat de vader een stabiel opvoedingsklimaat bood en goed samenwerkte met de gezinsvoogd, terwijl de moeder zich bleef verzetten en het belang van het kind uit het oog verloor.
De moeder stelde cassatie in tegen de beschikking van het hof, maar de Hoge Raad verklaarde het beroep voor zover gericht tegen de beschikking van de rechtbank niet-ontvankelijk en verwierp de overige klachten. Het hof had terecht het belang van het kind als uitgangspunt genomen en de beslissing niet bedoeld om de moeder te straffen. De klachten over motivering en vermeend machtsmisbruik faalden. De hoofdverblijfplaats bij de vader blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader in het belang van het kind en wijst het cassatieberoep van de moeder af.