ECLI:NL:PHR:2012:BV8952
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op teruggaaf omzetbelasting bij niet-betaling aannemingsovereenkomst en beperkt proceskostenvergoeding
In deze zaak stond centraal of een aannemer recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting op grond van artikel 29, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968, omdat de overeengekomen vergoeding voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw niet is ontvangen. De aannemer had het gebouwde in erfpacht verkregen van de gemeente nadat haar opdrachtgever failliet was verklaard en niet had betaald. De Hoge Raad bevestigde dat de vergoeding niet is ontvangen in de zin van de wet en dat de aannemer recht heeft op teruggaaf.
Daarnaast was de proceskostenvergoeding een punt van discussie. Het hof had de inspecteur veroordeeld tot een integrale vergoeding van de proceskosten, omdat hij volgens het hof willens en wetens volhardde in een onterechte weigering en een onzorgvuldige proceshouding aannam. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel omtrent de proceskostenvergoeding verweven is met feitelijke waarderingen en niet in cassatie kan worden getoetst. Wel werd aangegeven dat de claim voor een bovenforfaitaire vergoeding niet toewijsbaar is.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard, waarmee het recht op teruggaaf wordt bevestigd en de proceskostenveroordeling gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; belanghebbende heeft recht op teruggaaf omzetbelasting en de proceskostenvergoeding blijft gehandhaafd.