ECLI:NL:PHR:2012:BV9070
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OM ondanks onrechtmatige aanhouding in het buitenland
In deze zaak is de verdachte veroordeeld door het hof wegens overtreding van verkeersregels. De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was verricht op Duits grondgebied, waar Nederlandse opsporingsambtenaren niet bevoegd zijn tot aanhouding.
Het hof erkende dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim volgens artikel 359a Sv, omdat de aanhouding buiten Nederland plaatsvond zonder bevoegdheid. Echter, het hof oordeelde dat dit vormverzuim niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM, omdat geen ernstige schending van de procesorde had plaatsgevonden die het recht op een eerlijke behandeling van de verdachte aantastte.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de regel dat Nederlandse opsporingsambtenaren niet bevoegd zijn op buitenlands grondgebied, is bedoeld ter bescherming van de soevereiniteit van de buitenlandse staat en niet van de verdachte. Bovendien is het strafbare feit op Nederlands grondgebied gepleegd. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt erkend maar leidt niet tot vernietiging van het vonnis.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het beroep van de verdachte wordt verworpen en het openbaar ministerie ontvankelijk blijft in de vervolging.
Uitkomst: Het openbaar ministerie blijft ontvankelijk ondanks onrechtmatige aanhouding in het buitenland.