ECLI:NL:PHR:2012:BV9435
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verkrijging Nederlandse nationaliteit voor gezinsherenigde halfbroers zonder adoptie
In deze zaak verzochten drie halfbroers, die in het kader van gezinshereniging naar Nederland waren gekomen, vaststelling van hun Nederlandse nationaliteit op grond van de naturalisatie van hun oudere halfbroer. De naturalisatie van de oudere halfbroer dateerde van 14 november 1997. De verzoekers stelden dat zij als adoptiefkinderen van hun halfbroer beschouwd moesten worden en aldus in diens naturalisatie zouden delen.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees dit verzoek af nadat was gebleken dat zij geen kinderen, maar halfbroers waren. De rechtbank wees de verzoeken af omdat niet was voldaan aan de formele voorwaarden voor medenaturalisatie op grond van adoptie volgens artikel 11 lid 2 van Pro de oude Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep tot cassatie.
De Hoge Raad overwoog dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geen recht op verkrijging van een bepaalde nationaliteit omvat. Ook het arrest Rottmann was niet van toepassing omdat er hier geen sprake was van intrekking van een rechtmatig verkregen nationaliteit, maar van het ontbreken van verkrijging. De Hoge Raad benadrukte dat alleen een formele sterke adoptie, die aan de voorwaarden van het Nederlands internationaal privaatrecht voldoet, kan leiden tot medenaturalisatie. De verzoekers voldeden hier niet aan deze voorwaarden, zodat zij nooit Nederlander zijn geworden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verzoekers niet het Nederlanderschap hebben verkregen via de naturalisatie van hun halfbroer zonder formele adoptie.