ECLI:NL:PHR:2012:BW1254
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ambtshalve toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen buitenlands arbeidsrecht
Deze zaak betreft de beoordeling van de processuele behandeling van dwingendrechtelijke bepalingen van buitenlands arbeidsrecht in een grensoverschrijdende arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en de Nederlandse Staat. De arbeidsovereenkomst, gesloten vóór 17 december 2009, valt onder het toepassingsgebied van het Europees Verdrag inzake het conflictenrecht (EVO).
De werknemer werd ontslagen en stelde dat het ontslag in strijd was met een dwingendrechtelijke bepaling van het Franse arbeidsrecht, die stelt dat een opzegging slechts kan worden gebaseerd op feiten die zich binnen twee maanden voordien hebben voorgedaan. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af, waarbij het hof oordeelde dat het Nederlandse recht van toepassing is, maar dat dwingendrechtelijke bepalingen van het Franse recht kunnen worden toegepast indien toepasselijk. Het hof verklaarde niet bekend te zijn met de door de werknemer genoemde Franse bepaling.
In cassatie klaagde de werknemer dat het hof tekort was geschoten in de ambtshalve toepassing van het buitenlandse recht. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter verplicht is het toepasselijke buitenlandse recht ambtshalve toe te passen, inclusief dwingendrechtelijke bepalingen. Het hof had echter uitdrukkelijk overwogen niet bekend te zijn met de door de werknemer genoemde bepaling, wat impliceert dat het hof onderzoek heeft gedaan. De klachten werden verworpen en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.