Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Crimea – the Golden Island in the Black Sea’) (hierna: de tentoonstelling). Daarvóór was de tentoonstelling van 3 juli 2013 t/m 19 januari 2014 gehouden in het LVR-Landesmuseum te Bonn (hierna: het Landesmuseum). Tijdens de tentoonstelling zijn objecten afkomstig uit de Krimmusea (hierna: de Krimschatten, ook wel aangeduid als de museumstukken) en objecten afkomstig uit het National Museum of History of Ukraine [4] te Kiev, Oekraïne (hierna: de objecten uit Kiev) tentoongesteld.
Museumstukken afkomstig uit collectie NP Tauric Chersonesos
force-majeuresituatie, gevaar van tenietgaan, verlies of beschadiging van museumstukken de Minister van Cultuur van Oekraïne bevoegd is om een besluit te nemen met betrekking tot de overbrenging ter bewaring daarvan. De Minister van Cultuur heeft op 13 mei 2014 (Order No. 292) een dergelijk besluit genomen onder verwijzing naar bedoelde regelgeving. Dit houdt in dat de museumstukken in afwachting van de stabilisatie van de situatie op de Krim naar het National Historical Museum of Ukraine te Kiev worden overgebracht (rov. 3.25.1).
Museumstukken afkomstig uit collecties Tavrida CM, Kerch HCP en Bakhchisaray HCP
mutatis mutandisook waar het de onderhavige museumstukken betreft (rov. 3.32.1).
Regulationaan die bescherming verdere invulling te geven. Daaraan is gevolg gegeven door op 20 juli 2000 de
Regulationin te voeren en deze vervolgens op 23 maart 2014 te amenderen in de hierboven onder rov. 3.25.1 vermelde zin. Dat art. 41 van Pro de
Regulationeerst in 2014 in [lees: is, A-G] aangevuld met de thans ingeroepen mogelijkheid tot afgifte tot bewaring is niet van belang voor de materiële werkingssfeer daarvan en voor het daaraan te verbinden rechtsgevolg.
Regulationen Order No. 292 gevolg moet worden toegekend. Het hof heeft zich hierbij rekenschap gegeven van het feit dat niet snel tot de toepasselijkheid van een zogenoemde voorrangsregel (bepaling van bijzonder dwingend buitenlands recht) kan worden besloten. Dat dit onder omstandigheden wel mogelijk is, blijkt echter uit het feit dat de wetgever deze mogelijkheid in de wet heeft opgenomen.
3.Onttrekking cassatieadvocaten Krimmusea
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
force majeure) zich niet voordoet. Het onderdeel klaagt dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het gevaar voor verlies van de museumstukken iets zou afdoen aan het betoog van de Krimmusea dat Order No. 292 en de Regulation onverbindend zijn. Volgens het onderdeel laat een dergelijk gevaar immers onverlet dat deze regelgeving de vereiste formeelwettelijke grondslag ontbeert voor een wezenlijke beperking van het recht op operationeel beheer van de Krimmusea. Voor zover het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de Krimschatten bij teruggave aan de Krimmusea het risico zouden lopen van vernietiging, verdwijning of ‘verhuizing’ naar Rusland, klaagt het onderdeel nog in voetnoot 29 van de procesinleiding dat het hof in rov. 3.40 ten onrechte het bewijsaanbod van de Krimmusea op dit punt heeft gepasseerd.
de facto) kunnen beëindigen, dan wel opschorten voor een (on)afzienbare periode, is immers een kwestie van Oekraïens recht. Verder blijkt uit het procesdossier niet dat de Krimmusea in de feitelijke instanties hebben aangevoerd dat aan het tijdelijke karakter van Order No. 292 in de weg staat dat de Krim tot op heden nog niet is gestabiliseerd en dat onbekend is wanneer dat wel het geval zal zijn. [21] Die onzekerheid of onvoorspelbaarheid doet hoe dan ook niet af aan het tijdelijke karakter van de maatregel. Het hof heeft dat tijdelijke karakter vastgesteld (mede) aan de hand van de bedoeling van de Minister zoals die blijkt uit de bewoordingen van Order No. 292. In cassatie kan bovendien niet worden beoordeeld hoe de situatie op de Krim zich zal ontwikkelen en wat daarvan het gevolg zou moeten zijn voor het oordeel van het hof naar Oekraïens recht. In zoverre faalt de klacht.
nietin geschil is dat (i) de Krimmusea een recht van operationeel beheer – ongeacht de aard en inhoud daarvan – over de Krimschatten hebben althans hadden ten tijde van de uitvaardiging van Order No. 292, (ii) het recht van operationeel beheer de rechthebbende in staat stelt niet-commerciële activiteiten te ontplooien [30] en (iii) de rechthebbende de goederen waarop het recht rust niet mag vervreemden (zonder toestemming van de eigenaar). [31] In het licht van deze kenmerken zou eraan kunnen worden getwijfeld of het recht van operationeel beheer van de Krimmusea enige economische waarde vertegenwoordigt en/of voorwerp is van het economische verkeer. Indien dat niet het geval is, mist art. 1 EP Pro EVRM toepassing en ontbeert de klacht over onjuiste toepassing van art. 1 EP Pro EVRM belang.
lawfulness’.
de facto(vrijwel) geheel aan de rechthebbende te ontnemen en/of de rechterlijke beslechting van een reeds gerezen conflict van een burger met de staat over zijn wettelijk en verdragsrechtelijk beschermde subjectieve recht door zo’n achteraf genomen besluit in het voordeel van de staat om te buigen.
force majeure) en Order No. 292 dateren van na de bruikleenovereenkomsten en het overbrengen van de Krimschatten naar Duitsland en Nederland, doet daaraan niet af. Hetzelfde geldt voor de overweging van het hof in rov. 3.32.3 dat voor de materiële werkingssfeer van de Regulation en het daaraan te verbinden rechtsgevolg niet van belang is dat art. 41 Regulation Pro eerst in 2014 is aangevuld met de thans ingeroepen mogelijkheid tot afgifte van bewaring. In de overwegingen van het hof ligt niet besloten dat de Krimmusea ten tijde van het uitlenen van de Krimschatten al bekend konden zijn geweest met de na en vanwege de afscheiding van de Krim uitgevaardigde Order No. 292, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist.
mutatis mutandisook geldt voor de museumstukken afkomstig uit de collecties van Tavrida CM, Kerch HCP en Bakhchisaray HCP. Het is dan ook niet zo dat het hof enig gebrek aan motivering – waarvan overigens geen sprake is – heeft ‘gecompenseerd’ met een verwijzing naar het zwaarwegende openbare belang van de Staat Oekraïne. De klacht deelt hetzelfde lot als de voorgaande klachten, om de redenen zoals hiervoor reeds uiteengezet.
voorwaardelijke’ klacht 1is gericht tegen rov. 3.23-3.27 van het eindarrest, waarin het hof bij zijn oordeel dat de uit de collectie van NP Tauric Chersonesos afkomstige museumstukken moeten worden afgegeven aan de Staat Oekraïne, geen (kenbaar) beroep heeft gedaan op art. 10:7 BW Pro. De klacht is als voorwaardelijk bedoeld in die zin dat voor zover het hof ten aanzien van deze museumstukken bewust geen toepassing heeft willen geven aan art. 10:7 BW Pro, in dat geval geklaagd wordt dat het oordeel van het hof onjuist is dan wel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Volgens de klacht valt immers niet in te zien waarom, anders dan bij de museumstukken uit de collecties van de andere drie Krimmusea, de uit de collectie van NP Tauric Chersonesos afkomstige museumstukken aan de Staat Oekraïne moeten worden afgegeven, zonder dat een bijzondere regel van Oekraïens dwingend recht of het bloot eigendomsrecht van de Staat Oekraïne daartoe noopt als prevalerend boven het operationeel beheersrecht van dit museum.
‘voorwaardelijk’ aangeduide klacht 2is gericht tegen rov. 4.43 van het tussenarrest en betoogt dat voor zover deze overweging zou inhouden dat de vraag of art. 10:7 BW Pro van toepassing is op Order No. 292 in beginsel beantwoord moet worden naar Oekraïens recht, dat oordeel onjuist is. Het (vermeende) dwingendrechtelijke karakter van Order No. 292 moet weliswaar naar Oekraïens recht beoordeeld worden, maar de vraag of alsdan Order no. 292 zich in Nederland als voorrangsregel mag doorzetten, is een vraag van Nederlands recht. Voor zover het hof echter in rov. 4.43 en in het eindarrest bedoeld zou hebben dat het hof de (semi)publiekrechtelijke Order No. 292 – buiten art. 10:7 BW Pro om – direct kan toepassen op grond van de Oekraïnse
lex causae, is ook die benadering onjuist. De
lex causae-leer geldt niet voor (semi)publiekrechtelijke regels, aldus de klacht.
lex causae-leer. Deze leer houdt in dat het door de conflictregel aangewezen recht integraal – inclusief regels van semipubliekrecht – van toepassing is. [47] De leer was een reactie op de formele territorialiteitsleer, die inhoudt dat het ruimtelijk geldingsbereik van semipubliekrecht is beperkt tot het grondgebied van de staat die het recht heeft uitgevaardigd. Uiteindelijk is de
lex causae-leer verdrongen door de leer van de bijzondere aanknoping, die ook ten grondslag ligt aan art. 10:7 BW Pro. Deze leer houdt in dat semipubliekrechtelijke bepalingen afzonderlijk op hun internationale toepasselijkheid worden beoordeeld. [48]
lex causaeheeft toegepast. De klacht faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
lex fori), (ii) uit het recht dat de rechtsverhouding in materieel opzicht beheerst (
lex causae), of (iii) uit het recht van derde landen (de ‘derdelandsnormen’), te weten uit het recht van een ander met het internationaal geval nauw verbonden land, niet zijnde de
lex foriof de
lex causae. [49]
Arblade. [52] Uit de definitie volgt dat in ieder geval voorschriften die in privaatrechtelijke rechtsverhoudingen ingrijpen, ter bescherming van openbare belangen, onder de begripsbepaling vallen. [53] In de literatuur wordt ook wel gesproken van semipubliekrechtelijke voorschriften, waarmee voorschriften worden bedoeld die niet zuiver privaatrechtelijk van aard zijn en evenmin zuiver publiekrechtelijk. [54] Onder openbare belangen vallen, zo volgt uit art. 10:7 lid 1 BW Pro, onder meer de politieke, sociale of economische organisatie van de staat. Ook het belang bij het behoud van nationaal cultureel erfgoed moet worden beschouwd als een openbaar belang in de zin van dit artikel. [55]
lex forigeregeld. Art. 10:7 lid 3 BW Pro heeft betrekking op zowel voorrangsregels uit de
lex causaeals derdelandsnormen; beide moeten worden beschouwd als ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht van een vreemde staat’ in de zin van die bepaling. [56]
Unamarheeft het HvJEU overwogen dat de rechter, bij zijn beoordeling van de vraag of sprake is van een bepaling van bijzonder dwingend recht, uit de precieze bewoordingen van de bepaling, de algemene opzet en alle omstandigheden waarin de bepaling is vastgesteld, dient af te leiden of de wetgever de bepaling heeft vastgesteld om een belang te beschermen dat voor de betrokken staat fundamenteel is. [61]
Griekenland/Nikiforidisin het kader van art. 9 Rome Pro I opgemerkt:
de rechter de mogelijkheid biedteen uitspraak te doen die billijk is en tegelijkertijd rekening houdt met de noodzaak om concurrerende belangen van de betrokken staten af te wegen.’ [62]
materiëlezin. Niet is uitgesloten dat een verbindende (maat)regel die niet is opgenomen in een wet in formele of materiële zin, maar wél is uitgevaardigd op basis van een bevoegdheid die een wettelijke grondslag heeft, kan kwalificeren als voorrangsregel. Zoals gezegd, is voor deze kwalificatie bepalend of de wetgever (of regelgever) de intentie heeft gehad om aan de regel het karakter van een voorrangsregel te geven vanwege de politieke, sociale of economische belangen die met de bepaling gemoeid gaan.
onderdeel 2.2, dat uiteenvalt in zeven subonderdelen (a t/m g).
samenstelvan de Museumwet, art. 41 van Pro de Regulation en Order No. 292 als voorrangsregel heeft aangemerkt.
verdere) externe werking’. Onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is ook de overweging dat ‘het Nederlandse IPR geen nadere regels stelt aan de reikwijdte van de ingeroepen voorrangsregel’. Immers, de Staat Oekraïne heeft erkend dat Order No. 292 géén externe werking heeft, terwijl een voorrangsregel in elk geval een verdere reikwijdte moet hebben dan een louter intern werkend politiek of ambtelijk bevel aan een of meer ondergeschikte ambtenaren of entiteiten, aldus het onderdeel.
beroepheeft gedaan op de Regulation en/of de Museumwet als zijnde (onderdeel van een) voorrangsregel, doet niet ter zake, nu in procesrechtelijke zin sprake is van een rechtsgrond en niet van een grief. De twee-conclusieregel is dus niet in het geding, zodat de klacht faalt.
lex causae.
lex causaeheeft de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht in zijn Advies over algemene bepalingen van een Wet Internationaal Privaatrecht opgemerkt:
Sonderanknüpfungop haar plaats nadat ‘ontkoppeling’ heeft plaatsgevonden. Voorrangsregels die tot de lex causae behoren zijn in deze opvatting niet steeds ‘automatisch’ van toepassing. En andersom, voorrangsregels die niet tot de lex causae behoren worden niet om die reden a priori van toepassing uitgesloten. De voorgestelde bepaling geeft deze opvatting weer door aan te geven dat het gaat om het recht van een ‘vreemde’ staat. Dit ‘vreemde’ of buitenlandse recht kan de lex causae zijn maar kan ook het recht van een andere, nauw met het geval verbonden staat zijn. De buitenlandse voorrangsregel moet dwingend van toepassing zijn volgens het recht van de desbetreffende staat, moet met andere woorden geldingspretentie hebben [voetnoten weggelaten, A-G].’ [72]
lex causae. Dit hangt samen met het uitgangspunt van het Nederlandse internationaal privaatrecht dat de
lex causae, het door de verwijzingsregel of rechtskeuze aangewezen materiële recht, niet zonder meer de regels omvat die zich als voorrangsregels aandienen omdat zij (mede) strekken tot bescherming van openbare belangen. De rechter zal derhalve in het concrete geval afzonderlijk hebben te onderzoeken of deze regels inderdaad als voorrangsregels toepassing verlangen.’ [73]
lex causae, betekent dus niet dat deze regel per definitie door de rechter wordt toegepast. De rechter zal de vraag of hij gevolgen kan toekennen aan voorrangsregels van de
lex causaemoeten beantwoorden aan de hand van art. 10:7 lid 3 BW Pro. Bij de toepassing van deze bepaling kunnen, zoals hierboven bleek, twee fasen worden onderscheiden. Indien de rechter heeft vastgesteld dat de regel in kwestie volgens het recht van herkomst de status van voorrangsregel heeft en in het voorliggende geval toepassing pretendeert, moet de rechter vervolgens beslissen of hij gevolgen toekent aan de geldingspretentie van de buitenlandse voorrangsregel. Uit de bewoordingen van art. 10:7 lid 3 BW Pro volgt dat de rechter moet onderzoeken (i) of sprake is van een nauwe band tussen de casus en de staat die de voorrangsregel heeft uitgevaardigd, (ii) of de toepassing van de voorrangsregel gezien zijn aard en strekking gerechtvaardigd is, en (iii) wat de gevolgen zijn van de toepassing of de niet-toepassing van de regel (hierna ook: de gevolgentoets).
nauwe band-toetsziet op de vraag of het feitencomplex objectief gezien voldoende nauw is verbonden met de staat die de voorrangsregel heeft uitgevaardigd. [74] Het criterium verhindert dat de Nederlandse rechter gevolgen toekent aan een buitenlandse voorrangsregel met een excessieve geldingspretentie. [75]
aard en strekking. [76] In de literatuur worden in dit verband drie deelvragen onderscheiden: (i) welk belang wordt door de voorrangsregel gediend?; (ii) is dat belang vanuit Nederlands perspectief beschermenswaardig?; (iii) is het belang voldoende zwaarwegend om de gewone methode van het verwijzingsresultaat te doorbreken? [77] Asser/Vonken spreekt van de ‘gedeelde waarden-toets’, die inhoudt dat de rechter toetst of de gewichtige publieke en beschermende private belangen die aan de vreemde voorrangsregel ten grondslag liggen hetzij in overeenstemming zijn met de rechtsopvattingen van de forumstaat, hetzij een algemeen aanvaard internationaal belang dienen, hetzij een belang dienen dat de forumstaat kan delen. [78]
gevolgentoetsbiedt de rechter de gelegenheid om de voor- en nadelen van de toepassing van de buitenlandse voorrangsregel tegen elkaar af te wegen. [79] In het Rapport Giuliano-Lagarde wordt in het kader van art. 7 EVO Pro over de gevolgentoets opgemerkt:
anderebelangen die bij de toepassing en de niet-toepassing van de regel betrokken zijn? [82] En zo ja, welke belangen moeten in de afweging worden betrokken? Dient de rechter bijvoorbeeld rekening te houden met een individueel belang van een partij, zoals een mogelijke oplegging van een strafrechtelijke sanctie bij overtreding van de voorrangsregel? [83]
lex causae. Het gaat dus om de belangen die de staten bij het uitvaardigen van de desbetreffende regelgeving (resp. de regels van de
lex causaeen de voorrangsregel) op het oog hebben gehad [85] en niet om de individuele belangen of verwachtingen van partijen ten aanzien van de toepassing of niet-toepassing van de regel in het concrete geval. [86] Uit de laatste zinsnede van de aangehaalde rechtsoverweging blijkt dat het op de rechtsverhouding toepasselijke recht ook van invloed is op de belangenafweging.
lex causaeof uit het recht van een ander land. Ook ten aanzien van voorrangsregels van de
lex causaezal de rechter dus moeten onderzoeken of (i) sprake is van een nauwe band tussen de casus en de staat die de voorrangsregel heeft uitgevaardigd, (ii) of de toepassing van de voorrangsregel gezien zijn aard en strekking gerechtvaardigd is en (iii) wat de gevolgen zijn van toepassing en niet-toepassing van de regel. In de rechtspraak en literatuur is de invulling van deze toetsingscriteria echter vooral toegespitst op derdelandsnormen. In de literatuur is betoogd dat voor voorrangsregels afkomstig uit de
lex causaeeen soepeler toets moet worden aangelegd dan voor derdelandsnormen. Van Hoek schrijft:
lex causaewel degelijk het normale verwijzingsresultaat kan doorkruisen [88] , is de toepassing van een voorrangsregel van de
lex causaeinderdaad minder bezwaarlijk dan de toepassing van een derdelandsnorm. Maakt de voorrangsregel deel uit van de
lex causae, zoals in de zaak die in cassatie aan de orde is, dan zijn alle regels uitgevaardigd door dezelfde staat en kan moeilijk worden gesproken van conflicterende statelijke belangen. Voor zover de regels verschillende belangen dienen, zal rekening moeten worden gehouden met het (semi)publiekrechtelijke belang dat gemoeid gaat met de toepassing van de voorrangsregel. De staat zal immers meer belang hechten aan de toepassing van zijn (semi)publiekrechtelijke voorschriften die in het concrete geval gelding pretenderen, dan aan de toepassing van zijn privaatrechtelijke regels. [89] Bij voorrangsregels van de
lex causaekan daarom worden volstaan met een minder stringent toetsingskader dan voor toepassing van derdelandsnormen.
lex causaegeen ruimte voor het maken van een belangen
afweging. Dat de rechter zo’n afweging zou moeten maken, volgt niet uit de tekst van art. 10:7 lid 3 BW Pro, noch uit de wetsgeschiedenis. De gevolgentoets kan worden beperkt tot de vraag of de toepassing van de voorrangsregel van de
lex causaetot gevolg heeft dat het (naar Nederlandse maatstaven beschermenswaardige) belang dat de voorrangsregel beoogt te dienen, in het voorliggende geval ook daadwerkelijk wordt gediend.
lex causaeeen belangenafweging moet maken waarin hij alle door partijen gestelde belangen bij de toepassing en de niet-toepassing van de voorrangsregel kenbaar betrekt. In het licht van hetgeen ik hierboven over de gevolgentoets heb opgemerkt, gaat het onderdeel hiermee uit van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het faalt.