ECLI:NL:PHR:2012:BW3694
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest vanwege grondslagverlating bij bewezenverklaring schuldheling
In deze zaak stond verdachte terecht voor schuldheling van diverse goederen die hij op of omstreeks 5 augustus 2009 te Rotterdam voorhanden had, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze goederen door misdrijf waren verkregen. Het hof had een bewezenverklaring gegeven die niet aansloot op de concreet in de tenlastelegging genoemde goederen, maar op een abstractere omschrijving van 'goederen'. Hierdoor was sprake van grondslagverlating.
De verdachte had een bekennende verklaring afgelegd waarin hij toegaf goederen te hebben voorhanden gehad waarvan hij het vermoeden had dat deze door misdrijf waren verkregen. Daarnaast waren verklaringen van een betrokkene over het gebruik van een kast waarin verdachte spullen opsloeg en het zien van diverse goederen, waaronder paardenverzorgingsspullen en houders voor navigatiesystemen, als bewijsmiddelen gebruikt.
Het hof had echter de bewezenverklaring zo geformuleerd dat deze niet overeenkwam met de in de tenlastelegging opgesomde goederen, waardoor het hof niet op de grondslag van de tenlastelegging had beraadslaagd en beslist. De Hoge Raad oordeelde dat dit een schending van art. 359 lid 3 Sv Pro opleverde en vernietigde het arrest voor zover het betrekking had op het onder 6 tenlastegelegde feit. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege grondslagverlating bij de bewezenverklaring van schuldheling.