ECLI:NL:PHR:2012:BW3730
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wederrechtelijk binnendringen op besloten erf ondanks opening in hek
Op 20 maart 2009 werd verdachte betrapt op het betreden van een besloten erf te Amsterdam, dat was omheind met hekken en waarvan de toegang was beveiligd met een slagboom. Verdachte maakte gebruik van een opening in het hek om het terrein te betreden en verliet het terrein via diezelfde opening toen hij de politie zag.
Het hof oordeelde dat het terrein een besloten erf vormde en dat verdachte zich bewust was van de wederrechtelijkheid van zijn binnendringen, omdat het terrein duidelijk was afgesloten en de toegang werd bewaakt. Het hof verwierp het verweer dat er geen sprake was van binnendringen omdat het terrein via een opening in het hek toegankelijk was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat een besloten erf kenbaar is door afscheiding, ook als het niet geheel is afgesloten. Het betreden via een niet-bestemde opening in het hek geldt als binnendringen tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende. Het verweer faalde omdat het hek en de slagboom duidelijk maakten dat toegang via de opening niet was toegestaan. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot veertien dagen gevangenisstraf.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot veertien dagen gevangenisstraf voor wederrechtelijk binnendringen op een besloten erf.