ECLI:NL:PHR:2012:BW4891
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling winst uit onderneming versus resultaat uit overige werkzaamheden in inkomstenbelasting
Belanghebbende voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2006 aan dat zijn activiteiten als ondernemer moesten worden aangemerkt, met recht op ondernemersfaciliteiten zoals zelfstandigenaftrek. Rechtbank en Hof oordeelden echter dat sprake was van resultaat uit overige werkzaamheden vanwege de geringe omzet en het ontbreken van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip onderneming geen vaste wettelijke definitie kent, maar wordt bepaald aan de hand van jurisprudentie en factoren zoals duurzaamheid, omvang van werkzaamheden, ondernemersrisico en aantal opdrachtgevers. In deze zaak was de omzet in 2005 en 2006 te gering en bestond het grootste deel van de bestede uren uit indirecte uren, wat het oordeel van het Hof ondersteunt.
Ook het optreden naar buiten toe en het aantal gewerkte uren konden niet leiden tot kwalificatie als onderneming. Het Hof heeft terecht het lage omzetcijfer als doorslaggevend beschouwd. De Hoge Raad wijst erop dat de invulling van het begrip onderneming bewust aan de rechter is overgelaten om flexibiliteit te waarborgen.
Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van Hof en Rechtbank standhouden dat de inkomsten uit de werkzaamheden in 2006 resultaat uit overige werkzaamheden zijn en niet winst uit onderneming.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat de inkomsten resultaat uit overige werkzaamheden zijn, blijft gehandhaafd.