ECLI:NL:PHR:2012:BW4997
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing van gewekt vertrouwen bij wijziging FPU-bijverdienmarge na ontslag
Eiseres was tot 1 februari 2005 ambtenaar bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en maakte gebruik van de FPU-regeling met een aanvullende suppletie ('Remkes-regeling'). Zij ontving een FPU-uitkering met een aanvankelijk hoge bijverdienmarge van circa €14.692,93 bruto per jaar, gebaseerd op het oude reglement. Kort daarna werd het FPU-reglement gewijzigd waardoor de bijverdienmarge werd verlaagd tot €6.022,73.
Eiseres maakte bezwaar tegen de toepassing van de lagere bijverdienmarge en beriep zich op het door haar gewekte vertrouwen dat de oude marge zou gelden. Dit bezwaar werd door het bestuur van het VUT-fonds en ABP afgewezen en ook in hoger beroep verworpen. De rechtbank en het hof oordeelden dat eiseres geen recht had op de hogere marge omdat zij op het moment van haar ontslag rechten verkreeg onder het gewijzigde reglement en zij rekening had moeten houden met mogelijke wijzigingen.
In cassatie richtte eiseres zich tegen het oordeel van het hof dat zij niet mocht vertrouwen op de oude regeling en dat het VUT-fonds en ABP niet gebonden waren aan de informatie van PROambt, een organisatie waarnaar zij voor informatie was verwezen. De Hoge Raad verwierp deze klachten omdat nieuwe feitelijke omstandigheden niet in cassatie kunnen worden ingebracht en omdat onvoldoende is gesteld dat het VUT-fonds of ABP verantwoordelijk waren voor de door PROambt verstrekte informatie.
De Hoge Raad bevestigt dat het gewekte vertrouwen niet aan het fonds en ABP kan worden tegengeworpen zonder bijzondere grondslag en dat de wijziging van het reglement rechtsgeldig is toegepast. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de lagere bijverdienmarge van het gewijzigde FPU-reglement blijft van toepassing.