ECLI:NL:PHR:2012:BW8665
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid betreden en doorzoeken pand bij hennepplantage
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van overtreding van de Opiumwet wegens het exploiteren van een hennepplantage in een loods te Haarlem. De verdediging stelde dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond voorafgaand aan het betreden van het pand en dat de doorzoeking onrechtmatig was, waardoor het bewijs uitgesloten moest worden.
Het Hof oordeelde dat de informatie van een informant bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), hoewel de betrouwbaarheid niet expliciet kon worden vastgesteld, voldoende was getoetst door verificatie van persoonsgegevens en eigendom van het pand. Hierdoor was er een toereikende grondslag voor een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet, wat het betreden van het pand rechtvaardigde.
Verder stelde het Hof vast dat er geen sprake was van een doorzoeking in de zin van het Wetboek van Strafvordering, maar van zoekend rondkijken binnen het pand, waarbij verdachte zelf de ruimtes aanwees. De inbeslagname van de hennepplantage was daarmee rechtmatig en het bewijs niet onrechtmatig verkregen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp de cassatiemiddelen van de verdediging. Ook de geringe overschrijding van de redelijke termijn leidde niet tot strafvermindering. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens medeplegen van overtreding van de Opiumwet en verklaart het bewijs rechtmatig verkregen.