ECLI:NL:PHR:2012:BW8678
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt poging tot moord met voorbedachte raad ondanks innerlijke tegenstrijdigheid bewijs
De zaak betreft een poging tot moord gepleegd op 21 december 2008 te Amsterdam, waarbij de verdachte met een kapmes het slachtoffer meerdere malen heeft geslagen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte voldoende gelegenheid had om zich te beraden, waardoor sprake zou zijn van voorbedachte raad. De verdediging voerde aan dat sprake was van een gemoedsopwelling zonder tijd voor beraad, maar dit werd door het hof verworpen.
Een innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering werd gesignaleerd, met name tussen de verklaringen van het slachtoffer en een getuige, over het moment waarop het mes werd gepakt en of de verdachte het slachtoffer vasthield. De Hoge Raad oordeelt dat deze tegenstrijdigheid niet leidt tot vernietiging van het vonnis, omdat het hof duidelijk heeft aangegeven welke versie van de feiten zij aannam en dat de verklaring van de getuige kennelijk een slordigheid bevatte.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor voorbedachte raad, waarbij het gaat om een weging van objectieve aanwijzingen en contra-indicaties. Hoewel het een grensgeval is, acht de Hoge Raad het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Wel wordt de door het hof bepaalde proeftijd van vijf jaar vernietigd omdat niet is vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor een dergelijke proeftijd is voldaan. De Hoge Raad bepaalt dat de proeftijd op twee jaar moet worden gesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor poging tot moord met voorbedachte raad en vernietigt de proeftijd, die op twee jaar wordt vastgesteld.