ECLI:NL:PHR:2012:BW9817
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongelijke fiscale behandeling pensioenopbouw zelfstandigen en loontrekkenden als gerechtvaardigd
Belanghebbende, een zelfstandige die samen met haar partner een onderneming exploiteert, bracht in haar aangifte inkomstenbelasting 2006 lijfrentepremies in aftrek. De Inspecteur weigerde echter een deel van deze aftrek toe te staan omdat deze de wettelijke jaarruimte en reserveringsruimte overschreed. Belanghebbende verzocht om toepassing van de hardheidsclausule, maar dit werd afgewezen.
De Rechtbank verklaarde zich onbevoegd, het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond voor zover het de bevoegdheid betrof, maar verwierp het beroep inhoudelijk. Het Hof oordeelde dat de wetgever een redelijke beleidskeuze heeft gemaakt en dat de ongelijke behandeling van zelfstandigen en loontrekkenden op het gebied van pensioenopbouw niet onredelijk is.
In cassatie betoogde belanghebbende dat sprake was van een verboden ongelijke behandeling in strijd met artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro. De Hoge Raad overwoog dat zelfstandigen en werknemers niet feitelijk en rechtens gelijk zijn, mede vanwege verschillen in pensioenregelingen, fiscale behandeling en ondernemingsrisico's. De wetgever heeft deze verschillen erkend en de fiscale regels daarop afgestemd.
De Hoge Raad concludeert dat de ongelijke behandeling niet van redelijke grond ontbloot is en dat het cassatieberoep ongegrond is. De uitspraak bevestigt de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever bij fiscale regelgeving en het belang van een evenwichtige fiscale behandeling van zelfstandigen en loontrekkenden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de ongelijke fiscale behandeling tussen zelfstandigen en loontrekkenden is gerechtvaardigd.