ECLI:NL:PHR:2012:BX0737
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en bewijslastverdeling bij beroepsfout advocaat in aansprakelijkheidsprocedure
In deze zaak staat centraal of en in hoeverre de cliënt in een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen zijn voormalige advocaat het bewijs moet leveren dat het verweer in de eerste procedure, dat de cliënt geen vennoot meer was, zou zijn gehonoreerd. De cliënt stelde dat de advocaat een beroepsfout had gemaakt door dit verweer niet te voeren, waardoor hij schade had geleden.
De Rechtbank oordeelde dat het nalaten van het verweer te voeren een beroepsfout was en dat de cliënt moest bewijzen dat het verweer in hoger beroep zou zijn gehonoreerd. Het Hof stelde dat de advocaat niet het bewijs hoefde te leveren dat de cliënt de vennootschap had voortgezet, maar dat deze bewijslast bij de cliënt lag. Het Hof gaf een nieuwe bewijsopdracht aan de cliënt en verwees de zaak terug naar de Rechtbank.
De Hoge Raad bevestigt dat een bewijsopdracht geen eindbeslissing is en dat het Hof terecht de bewijslast bij de cliënt heeft gelegd op grond van artikel 150 Rv Pro. De Hoge Raad wijst een door de cliënt voorgestelde afwijkende bewijslastverdeling af vanwege praktische onhoudbaarheid en onvoldoende grond. De zaak wordt niet inhoudelijk behandeld vanwege de voorlopige aard van de bewijsopdracht en het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het zich richt tegen een voorlopige bewijsopdracht.