ECLI:NL:PHR:2012:BX3863
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek invordering rijbewijs op rijontzegging bij meerdere zaken
In deze zaak stond centraal de vraag in hoeverre de tijd dat een rijbewijs is ingevorderd of ingehouden, in meerdere strafzaken, in mindering kan worden gebracht op een opgelegde rijontzegging. Verdachte werd veroordeeld voor een snelheidsovertreding en kreeg een rijontzegging van zes maanden opgelegd. Het hof had de tijd dat het rijbewijs in een eerdere strafzaak was ingevorderd in mindering gebracht, maar niet de tijd van invordering in de onderhavige zaak zelf.
De Hoge Raad stelde vast dat het rijbewijs op 21 september 2009 was ingevorderd in een eerdere zaak en dat de beslissing tot teruggave op 25 september 2009 was genomen, maar dat het rijbewijs feitelijk niet was teruggegeven. Toen verdachte op 8 december 2009 werd staande gehouden, was het rijbewijs nog steeds ingevorderd. De vordering tot overgifte van het rijbewijs op die datum maakte dat het rijbewijs vanaf dat moment als ingevorderd moest worden beschouwd in de onderhavige zaak.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet alleen aftrek toestaat van de tijd dat het rijbewijs in de strafzaak zelf is ingevorderd, niet van tijd in andere zaken. Ook is de tijd van invordering in de onderhavige zaak vanaf 8 december 2009 tot de feitelijke teruggave in mindering te brengen. Het hof had dit moeten bevelen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het deze aftrek niet had toegepast en bepaalde zelf dat deze aftrek moet plaatsvinden.
De uitspraak verduidelijkt de uitleg van art. 179 lid 6 WVW Pro 1994 en bevestigt dat de invordering en inhouding van het rijbewijs van kracht blijft tot de feitelijke teruggave, en dat de strafrechter de duur van de aftrek niet zelf hoeft te bepalen, maar dit aan de administratie kan overlaten.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs in de onderhavige strafzaak is ingevorderd op de rijontzegging in mindering moet worden gebracht.