ECLI:NL:PHR:2012:BX5410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00464
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen nalaten gegevensverstrekking voor uitkering

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens die van belang zijn voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. De straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis.

Namens verdachte werden twee cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste middel betrof de vraag of het bewijs voldoende was dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens van belang waren voor de uitkeringsverstrekking. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen, waaronder ingevulde formulieren waarop was aangekruist dat geen inkomsten werden genoten, kon worden afgeleid dat verdachte dit wist of moest vermoeden.

Het tweede middel richtte zich op het bewijs dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en inkomsten daaruit had genoten, en op het opzet van verdachte en zijn vrouw. De Hoge Raad stelde dat uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden in een hennepkwekerij verrichtte en inkomsten had. Ook werd geoordeeld dat bij medeplegen het opzet van de mededader niet hoeft te worden bewezen. Beide middelen faalden en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling medeplegen opzettelijk nalaten gegevensverstrekking bevestigd.

Conclusie

Nr. 11/00464
Mr. Vellinga
Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "Medeplegen van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/00464 en 11/02536. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt over het bewijs van het weten althans redelijkerwijze moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.
5. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onder meer inhouden dat op de aan verdachte en zijn vrouw verstrekte formulieren (ROF) was aangekruist dat zij niet hebben gewerkt en geen inkomsten hebben genoten en zij er aldus uitdrukkelijk op zijn gewezen dat gegevens omtrent werkzaamheden en inkomsten van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een uitkering kan het bewezenverklaarde voor zover behelzende dat verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van bedoelde uitkering uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
6. Het middel faalt.
7. Het tweede middel klaagt dat enkele onderdelen van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
8. In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij.
9. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat in geval meerdere alternatieven zijn bewezenverklaard elk van deze alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid.(1)
10. Uit de gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddelen 1 en 6, gelezen in onderling verband en samenhang) kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en inkomsten had uit een hennepkwekerij.
11. Voor zover in dit verband wordt geklaagd dat de inhoud van het relaas van de sociaal rechercheur [verbalisant 1], anders dan het Hof heeft overwogen, geen adequate weergave is van de zich in het dossier bevindende stukken, wordt miskend dat hierover in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd. In dit verband merk ik op dat noch verdachte noch zijn raadsman het relaas van [verbalisant 1] voor wat betreft de inkomsten van verdachte uit de teelt en verkoop van hennep heeft betwist.
12. In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken opzettelijk is geschied. Dat is niet juist. Op de formulieren was aangekruist dat de verdachten niet werkten en geen inkomsten hadden (bewijsm. 1) en verdachte heeft de formulieren ondertekend (bewijsm. 2). Het is dus niet zo dat de benodigde gegevens per ongeluk zijn weggevallen.
13. Ten slotte wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het opzet van verdachtes vrouw was gericht op het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken. Aldus wordt miskend, dat bij veroordeling van de verdachte ter zake van het onderhavige medeplegen uit de bewijsvoering niet het opzet van verdachtes mededader behoeft te kunnen worden afgeleid.(2)
14. Het middel faalt.
15. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 22 juni 2004, LJN AO8315, NJ 2004, 439, rov. 3.4.2.
2 Vgl. HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, rov. 5.3.