ECLI:NL:HR:2004:AO8315
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vereisten bewijsvoering bij bewezenverklaring alternatieve feiten en toepassing art. 246 Sr
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor meerdere feiten, waaronder feitelijke aanranding van de eerbaarheid en verkrachting. Het hof had de verdachte veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf. De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het hof Arnhem.
De Hoge Raad stelde vast dat bij bewezenverklaring van alternatieve feiten elk alternatief door bewijsmiddelen moet worden gedragen. In deze zaak was onder feit 1 bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer door een andere feitelijkheid dan geweld of bedreiging had gedwongen tot ontuchtige handelingen, mede door gebruik van fysiek en/of geestelijk overwicht of het in het vooruitzicht stellen van geld.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk had veroorzaakt dat het slachtoffer de ontuchtige handelingen tegen zijn wil had ondergaan. De motivering van het hof was ontoereikend. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging van feit 1 betreft en verwees de zaak naar het hof Leeuwarden voor hernieuwde berechting. De overige middelen werden verworpen.
De zaak bevatte uitgebreide verklaringen van het slachtoffer en getuigen, waarin onder meer werd beschreven dat de verdachte als penningmeester van een speeltuin het slachtoffer had gevraagd mee te werken aan een spermatest, waarbij ontuchtige handelingen plaatsvonden. De Hoge Raad benadrukte de strikte eisen aan bewijsvoering bij alternatieve feiten en het vereiste van opzet bij het dwingen tot dergelijke handelingen.
Uitkomst: Het arrest is vernietigd voor de bewezenverklaring en strafoplegging van feit 1 en de zaak is verwezen voor hernieuwde berechting.