ECLI:NL:PHR:2012:BX7885
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot faillietverklaring na ontbinding intentieovereenkomst en vordering
Partijen sloten op 20 oktober 2009 een intentieovereenkomst voor de verkoop van een jachthavencomplex. De overeenkomst werd ontbonden door de rechtbank Amsterdam, waarbij eiser tot cassatie tot betaling van schadevergoeding werd veroordeeld.
Verweerster legde deze opeisbare vordering ten grondslag aan een verzoek tot faillietverklaring van verzoeker, dat aanvankelijk door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en verklaarde verzoeker failliet, omdat summierlijk was gebleken dat verzoeker was opgehouden te betalen.
Verzoeker kwam hiertegen in cassatie met twee middelen, onder meer over het oordeel van het hof dat het eerdere vonnis van 21 december 2011 niet aan het verzoek tot faillietverklaring in de weg stond. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het verzoek had toegewezen, omdat het ex nunc karakter van de toetsing vereist dat de toestand op het moment van beslissing wordt beoordeeld.
Het hof mocht het nieuwe verzoek op basis van nieuwe feiten toewijzen zonder dat sprake was van misbruik van procesrecht. Ook het achterwege laten van sancties bij schending van art. 21 Rv Pro werd als niet onjuist beschouwd. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd waarbij verzoeker failliet wordt verklaard.