ECLI:NL:PHR:2012:BX8442
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over exoneratieclausule bij gebrek in gehuurde bedrijfsruimte en ernstige nalatigheid verhuurder
In deze zaak huurde Interplissé een nieuw bedrijfspand van [eiser], waarin vochtproblemen en een niet-vloeistofdichte vloer werden vastgesteld. Interplissé stelde dat er sprake was van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro en vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, huurprijsvermindering en schadevergoeding.
De huurovereenkomst bevatte exoneratieclausules die verhuurder vrijstelden van aansprakelijkheid voor gebreken, behalve bij grove schuld of ernstige nalatigheid. Na diverse onderzoeken bleek dat de hoge luchtvochtigheid in het pand mede werd veroorzaakt door het weghalen van bouwdrogers, wat door verhuurder niet werd hersteld.
Het hof oordeelde dat er sprake was van een gebrek en dat verhuurder ernstig nalatig was geweest door geen maatregelen te treffen om het gebrek te verhelpen, waardoor het beroep op de exoneratieclausule niet slaagde. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat ernstige nalatigheid gelijkgesteld kan worden aan bewuste roekeloosheid, waarbij verhuurder zich bewust was van de schade en naliet eenvoudige maatregelen te nemen.
De Hoge Raad benadrukte dat de exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. De klachten van verhuurder dat het hof een lichtere maatstaf hanteerde of onvoldoende motiveerde, werden verworpen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: Het beroep op de exoneratieclausule wordt verworpen wegens ernstige nalatigheid van verhuurder bij het niet verhelpen van het gebrek.