ECLI:NL:PHR:2012:BX8742
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens onrechtmatige insluitingsfouillering en bewijsuitsluiting
In deze jeugdzaak is verdachte veroordeeld wegens het opzettelijk bezit van cocaïne. Tijdens de insluiting op het politiebureau werd verdachte onderzocht door een politiebrigadier die een plastic zakje met verdovende middelen tussen de billen van verdachte aantrof. De verdediging stelde dat dit onderzoek in strijd was met artikel 56 lid 2 Sv Pro omdat geen toestemming was gegeven voor een onderzoek aan het lichaam.
Het hof oordeelde dat het onderzoek een insluitingsfouillering betrof op grond van artikel 9 lid 4 Politiewet Pro 1993 en dat het bewijs rechtmatig was verkregen. De Hoge Raad stelt echter dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had. Uit de ambtsinstructie blijkt dat het aftasten en doorzoeken van kleding is toegestaan, maar een onderzoek aan het lichaam alleen met toestemming van de officier van justitie of hulpofficier.
De Hoge Raad benadrukt dat de politiebrigadier niet de bevoegdheid had om zonder die toestemming een onderzoek aan het lichaam te verrichten. Hierdoor is het bewijs onrechtmatig verkregen. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het feit 2 betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De zaak betreft een belangrijke afweging tussen de veiligheid in het cellencomplex en de bescherming van grondrechten zoals lichamelijke integriteit. De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van bevoegdheden bij insluitingsfouilleringen en bevestigt de noodzaak van strikte naleving van wettelijke voorschriften.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onrechtmatige bewijsverkrijging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.