ECLI:NL:PHR:2012:BX9518
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over overtredingen APV Utrecht wegens onvoldoende motivering
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtredingen van artikel 10, eerste lid, en artikel 39, eerste lid, sub b, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Utrecht door zich hinderlijk te gedragen en overlast te veroorzaken op de openbare weg.
Het Gerechtshof Arnhem had verdachte veroordeeld voor het verstoren van de openbare orde door het gebruik van verdovende middelen in het openbaar en het veroorzaken van hinder door het ophouden in een groep op een doorgaande route. De bewezenverklaring betrof onder meer dat de gedragingen 'ten aanschouwe van het daar aanwezige publiek' waren verricht en dat weggebruikers of bewoners hinder hadden ondervonden.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat de gedragingen in aanwezigheid van publiek plaatsvonden onvoldoende gemotiveerd was, omdat het hof niet had vastgesteld dat daadwerkelijk publiek aanwezig was en dat dit publiek kennis had genomen van de gedragingen. Ook was het oordeel dat weggebruikers of bewoners hinder hadden ondervonden onvoldoende gemotiveerd, omdat het tijdstip van de gedraging niet was vastgesteld en de feitelijke hinder niet concreet was aangetoond.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor hernieuwde beoordeling van de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2. De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukte dat het enkele feit dat de gedragingen in het openbaar plaatsvonden niet automatisch betekent dat zij ten aanschouwe van publiek waren verricht of dat er sprake was van hinder of overlast in de zin van de APV.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en voldoende gemotiveerde bewijsvoering bij overtredingen van de openbare orde op grond van de APV.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Arnhem is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.