ECLI:NL:PHR:2012:BX9599
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bezit van kinderpornografische afbeeldingen ondanks betwisting opzet
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het bezit van kinderpornografische afbeeldingen zoals bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte gedurende een periode van 2002 tot 2007 een groot aantal afbeeldingen in bezit had die seksuele gedragingen van kinderen onder de achttien jaar toonden. De afbeeldingen betroffen meisjes tussen zeven en dertien jaar oud, geposeerd in seksuele of seksueel prikkelende houdingen, vaak genomen in een professionele studio.
Verdachte betwistte het kinderpornografische karakter van de afbeeldingen en stelde dat zijn interesse slechts uitging naar lingerie en nylons. Het hof oordeelde echter dat de afbeeldingen onder het bereik van artikel 240b Sr vielen, mede vanwege de onnatuurlijke houdingen, stripteaseachtige poses en kleding die niet passend was bij de leeftijd van de kinderen. Het hof baseerde zich op uitgebreid bewijsmateriaal, waaronder verklaringen van een gecertificeerd zedenrechercheur en de verklaring van verdachte zelf, die toegaf bewust foto's van kinderen in lingerie te downloaden en hiervan opgewonden te raken.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie die stelden dat het hof het bewijs onvoldoende had gemotiveerd en dat het opzet van verdachte niet vaststond. Het hof had terecht geoordeeld dat verdachte wist van het bestaan en het kinderpornografische karakter van de afbeeldingen, althans willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het om kinderporno ging. Daarmee faalden de cassatiemiddelen en werd het bestreden arrest bevestigd.
Uitkomst: Verdachte is schuldig bevonden aan bezit van kinderpornografische afbeeldingen met opzet op het kinderpornografisch karakter.