ECLI:NL:PHR:2012:BX9865
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie van vergoeding als vervreemdingsvoordeel in aanmerkelijk belang
Drie broers hielden elk een aanmerkelijk belang in A B.V. en ontvingen in 2001 een vergoeding van de Beheersmaatschappij ter compensatie van een verschuiving van winstgerechtigdheid in de aandelen. De vergoeding bedroeg in totaal ƒ 10.000.000 en was onderworpen aan een opschortende voorwaarde die in 2004 werd vervuld.
De belanghebbenden stelden dat de vergoeding niet als vervreemdingsvoordeel of regulier voordeel uit aanmerkelijk belang belastbaar was, verwijzend naar een arrest uit 1971. Rechtbank en Hof stelden de Inspecteur in het gelijk en kwalificeerden de vergoeding als vervreemdingsvoordeel, belast in 2004.
De Hoge Raad bevestigt dat onder het huidige regime van de Wet IB 2001 dergelijke vergoedingen als vervreemdingsvoordeel moeten worden aangemerkt, ook al was artikel 20b(1)(e) Wet IB 1964 vervallen. De Hoge Raad oordeelt dat de tekst en parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 duidelijk zijn en dat de vergoeding een verschuiving van dividendrechten betreft die valt onder vervreemding van rechten in aandelen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de kwalificatie van de vergoeding als vervreemdingsvoordeel belast in 2004.