ECLI:NL:PHR:2012:BX9867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie van vergoeding als vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang
Drie broers hielden in 2001 elk een aanmerkelijk belang in A B.V. en ontvingen een vergoeding van de Beheersmaatschappij ter compensatie van een verschuiving in winstgerechtigdheid. De vergoeding werd in 2001 ontvangen, maar de statutenwijziging trad pas in 2004 in werking na vervulling van een opschortende voorwaarde.
De belanghebbenden stelden dat de vergoeding niet als vervreemdingsvoordeel of regulier voordeel belastbaar was onder de Wet IB 2001, verwijzend naar een arrest uit 1971 en het ontbreken van een bepaling analoog aan art. 20b(1)(e) Wet IB 1964. Rechtbank en Hof oordeelden echter dat de vergoeding als vervreemdingsvoordeel moest worden aangemerkt en in 2004 belast werd.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het aanmerkelijkbelangregime sinds 1997 en met de Wet IB 2001 wezenlijk is gewijzigd. De vergoeding kwalificeert als vervreemdingsvoordeel, mede gelet op de parlementaire geschiedenis en de wettekst. De Hoge Raad corrigeerde een kennelijke vergissing in het hof en stelde dat het genieten van het voordeel in 2004 correct is vastgesteld. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding wordt als vervreemdingsvoordeel belast in 2004.