ECLI:NL:PHR:2012:BY0592

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/03818
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 1:266 BWArt. 1:268 BWArt. 419 lid 3 RvArt. 429 lid 2 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoepen inzake ontheffing ouderlijk gezag

Deze zaken betreffen cassatieberoepen tegen beslissingen van het hof waarin ontheffing van het ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen werd bekrachtigd. De verzoekers tot cassatie, waaronder de ouders, stelden dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met verbeterde contacten en de voorkeur van de kinderen voor hereniging met de ouders.

Het hof baseerde zijn oordeel op eerdere rechtbankuitspraken en rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, die dezelfde informatie bevestigden. De klachten van de verzoekers richtten zich vooral op de feitelijke waardering van deze gegevens, hetgeen volgens de Hoge Raad niet in cassatie kan worden herbeoordeeld.

De Procureur-Generaal adviseerde daarom om de verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren op grond van art. 80a RO, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad volgde dit advies en wees de cassatieberoepen af wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.

Conclusie

Zaaknrs. 12/03818 en 12/03821
Mr. Huydecoper
Zitting van 28 september 2012
Uitlating Procureur-Generaal betreffende toepassing art. 80a RO inzake
[Verzoekster 1]
en
[Verzoeker 2]
verzoekers tot cassatie
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord
verweerster in cassatie
1. Deze beide zaken betreffen cassatieberoepen tegen in hoger beroep genomen beslissingen, waarbij de in eerste aanleg op verzoek van de verweerster in cassatie, de Raad, uitgesproken ontheffing uit de ouderlijke macht terzake van de eerste verzoekster tot cassatie, [verzoekster 1], werd bekrachtigd. Het gaat daarbij om de kinderen [kind 1], geboren in november 2001 (zaaknr. 12/03818) en [kind 2], geboren in november 1997 (zaaknr. 12/03821).
In zaaknr. 12/03818 gaat het ook om ontheffing uit de ouderlijke macht van de tweede verzoeker tot cassatie, [verzoeker 2].
2. In beide zaken heeft het hof aan de hand van de verkregen informatie geoordeeld, dat gronden voor ontheffing op de voet van de art. 1:266 jo Pro 1:268 BW zich voordoen. De redenen waarop het hof dit oordeel baseert zijn in beide zaken goeddeels dezelfde; zij grijpen in beide gevallen terug op in de eerste aanleg door de rechtbank gebezigde, en eveneens inhoudelijk grotendeels eensluidende gronden, waarbij weer steun werd gezocht bij rapporten van de Raad, die eveneens in vele opzichten dezelfde informatie bevatten.
3. De in cassatie aangevoerde klachten strekken ertoe, dat met name het feit dat verbetering in de contacten tussen [verzoekster 1] en [verzoeker 2] enerzijds, en de in beide zaken benoemde gezinsvoogd aan de andere kant, is vastgesteld; dat er regelmatig contact is tussen de verzoekers tot cassatie en de minderjarigen; en dat de minderjarigen voorkeur voor hereniging met de ouders aan de dag leggen, ertoe had moeten leiden dat het hof de voorgelegde vragen anders beoordeelde, althans zijn daarop gegeven beslissingen nader motiveerde.
De klachten vragen daarmee in de eerste plaats om herbeoordeling van gegevens die geheel of in zeer overwegende mate feitelijke waardering vergen. Aan een dergelijke herbeoordeling staan de art. 419 lid 3 jo Pro. art. 429 lid 2 Rv Pro. in de weg.
4. De in de middelen geformuleerde motiveringsklachten zijn niet, of uiterst summier onderbouwd. Ik lees daarin vooral een klacht die ertoe strekt dat het hof zijn oordeel niet "ex nunc" zou hebben gevormd. Noch de beslissingen van het hof noch de dossierstukken overigens bieden echter relevante steun voor dit verwijt.
5. Ik denk daarom dat zich in dit geval de in art. 80a RO omschreven situatie voordoet, dat de cassatieklachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Ik adviseer de Hoge Raad dan ook om in deze zaken de verzoekers dan wel de verzoekster (in zaaknr. 12/03821), met toepassing van art. 80a RO in haar cassatieberoepen niet-ontvankelijk te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden