ECLI:NL:PHR:2012:BY7673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kwade trouw belastingadviseur bij niet aangeven afkoop kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
Belanghebbende sloot in 1978 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule af en kocht deze in 2003 af, waarbij de afkoopwaarde niet in de aangifte inkomstenbelasting werd vermeld. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag en vergrijpboete op wegens vermeende kwade trouw. De Rechtbank vernietigde deze aanslag, stellende dat sprake was van grove schuld, niet van kwade trouw.
Het Hof verklaarde het hoger beroep van de Inspecteur gegrond en oordeelde dat de belastingadviseur van belanghebbende te kwader trouw was, wat aan belanghebbende kon worden toegerekend. Het Hof baseerde dit op het nalaten van de adviseur om nadere informatie op te vragen en zich te verdiepen in de fiscale gevolgen van de afkoop.
De Hoge Raad stelt dat kwade trouw inhoudt dat de belastingplichtige opzettelijk de juiste inlichtingen onthoudt of onjuiste verstrekt, waarbij ook voorwaardelijk opzet geldt. Voorwaardelijk opzet vereist echter niet alleen wetenschap van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting wordt geheven, maar ook dat deze kans bewust is aanvaard. Het Hof heeft niet vastgesteld of deze bewustheid aanwezig was, waardoor het oordeel niet kan blijven staan.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor een hernieuwd onderzoek naar de vraag of sprake was van kwade trouw, waarbij de dubbele eis van voorwaardelijk opzet moet worden onderzocht. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de kwade trouw van een adviseur aan de belastingplichtige kan worden toegerekend. De zaak benadrukt de strikte criteria voor het aannemen van kwade trouw en voorwaardelijk opzet in fiscale navorderingszaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van kwade trouw en voorwaardelijk opzet.