ECLI:NL:GHAMS:2012:BV2989
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en boetebeschikking wegens niet opgegeven kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
Belanghebbende sloot in 1978 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule af, die in 2003 werd afgekocht. De ontvangen afkoopsom van circa €219.500 werd niet vermeld in de aangifte inkomstenbelasting 2003, opgesteld door een toenmalige adviseur. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag en een vergrijpboete op wegens het niet aangeven van deze uitkering.
De rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag en boetebeschikking, oordelend dat belanghebbende niet te kwader trouw was, mede gelet op zijn ernstige ziekte en gebrek aan kennis. Het hof oordeelt dat de adviseur zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de kans dat te weinig belasting werd betaald door de afkoopsom niet te vermelden (voorwaardelijk opzet), en dat deze kwade trouw aan belanghebbende moet worden toegerekend voor de navordering.
Tegelijkertijd stelt het hof vast dat het (voorwaardelijke) opzet van de adviseur niet aan belanghebbende kan worden toegerekend voor de boete, vanwege het recht op onschuld totdat schuld is bewezen. Het hof bevestigt daarom de navorderingsaanslag, vernietigt de boetebeschikking en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Navorderingsaanslag bevestigd wegens kwade trouw adviseur toegerekend aan belanghebbende; boetebeschikking vernietigd.